Ooit waren majestueuze olmen alomtegenwoordig in Brussel, maar twee golven van de iepenziekte waren nefast voor de boom. Expert Willy Verbeke blijft echter dromen van een nieuwe olmendreef in het Zoniënwoud.
©
shutterstock
| BRZ 20251126 1958 BOTANISCH Olm 114208132
Volgend jaar worden nieuwe olmen in het Zoniënwoud geplant
Voor de Eerste Wereldoorlog was de olm overal in West-Europa, zowel in bossen als langs de lanen van steden. Ook in Brussel. “Hier was de olm, met vooral de Belgica-variëteit, waarschijnlijk na de eik de meest voorkomende boom”, zegt expert Willy Verbeke van het Arboretum Tervuren, deel van de Koninklijke Schenking, in het Zoniënwoud. “De olm groeit in vervuilde stadsgrond en zijn stevige schors kan tegen een stootje. De grote kruin maakt indruk en geeft veel schaduw.”
In het bos vormen zijn bladeren uitstekende voeding voor de grond, omdat ze erg goed verteren. De belangrijkste reden waarom er, zeker in de 19e eeuw, zoveel waren, was hun erg gewaardeerde hout. “Er werden wielen, karren en schepen mee gemaakt.”
Rond 1920 veroorzaakte een schimmel uit Azië een enorme ziektegolf onder olmen. De zogenoemde iepenziekte werd eerst in Noord-Frankrijk vastgesteld, de tweede constatering vond plaats in Brussel – in Oudergem. Na die eerste golf volgde een tweede in 1970.
“Olmen overreageren op die schimmels en verdedigen zich door hun sapstroom af te sluiten, waardoor ze zelfmoord plegen”, zegt Verbeke. Olmen kunnen eeuwen leven, maar door de iepenziekte worden ze nu vaak niet ouder dan twintig jaar. Besmette exemplaren werden ook massaal gekapt om de andere olmen te redden.
“Onze Belgica-variëteit was helaas heel gevoelig voor de ziekte, zodat er nu maar weinig oude exemplaren overschieten”, zegt Verbeke. De Belgica was een kruising van de ruwe en de gladde iep, twee van de drie inheemse soorten in België. De derde, de fladderiep, is zeer zeldzaam bij ons.
Om de olm werkelijk terug te brengen, vestigen onderzoekers hun hoop op onderzoek naar kruisingen van soorten, vaak met Aziatische
Ook van de ruwe iep zijn er maar weinig dikke exemplaren over in en rond Brussel. “In de Plantentuin Meise staat nog een stevige overlever.” Jonge olmen zijn wel in groten getale aanwezig. “In het Zoniënwoud staat een drietal olmen per hectare, maar het zijn bijna allemaal bomen die vroeg sterven.”
Verbeke blijft de geplaagde ruwe iep ondersteunen en stak deze week nog enkele nieuwe plantjes in de grond van het arboretum. Plantjes die auteur Tine Hens thuis liet groeien, als verzet tegen de trieste geschiedenis van deze iconische boom, die ze uitgebreid belicht in haar boek Archief van mogelijk verlies. “De plantjes zijn nog niet voldoende gegroeid om hongerige reeën te kunnen weerstaan. Maar volgend jaar zullen we ze in het Zoniënwoud planten.”
Uiteindelijk vallen ook deze olmen waarschijnlijk aan de iepenziekte ten prooi. Om de olm werkelijk terug te brengen, vestigt Verbeke zijn hoop op onderzoek naar kruisingen van soorten – vaak met Aziatische – die resulteren in rassen die weerbaarder zijn tegen de iepenziekte en klimaatbestendig zijn. “De Wanoux en de Fiorente zijn veelbelovende nieuwe varianten. Van de Wanoux staan er al een paar in het park van Tervuren, waar ze het uitstekend doen.”
De droom van Verbeke is om de boomsoort in ere te herstellen door opnieuw een olmendreef aan te leggen in het Kapucijnenbos vlak bij het Arboretum Tervuren. “Veel beuken worden er oud en krijgen het moeilijk door verdroging. Als die uiteindelijk moeten gaan, zouden resistente olmen goede vervangers zijn.”
Lees meer over: Biodiversiteit , Botanisch Brussel , olm , Zoniënwoud