Amber Janssens is een Brusselse actrice. In haar tweewekelijkse column voor BRUZZ reflecteert ze over wat een prille dertiger allemaal hoort te weten om niet door de mand te vallen.
©
Saskia Vanderstichele
Actrice Amber Janssens: 'Ik ben een nachtbraker en ik ben niet abnormaal'
Ik ben aan het nachtraven. Daarmee bedoel ik niet voortbewegen tussen zwetende lijven op het ritme van diepe bassen en lege glazen. Wel als in: zoals een nachtelijke vogel mijn vleugels uitgooien in het midden van de nacht en de slaap laten voor wat hij is.
Mijn relatie met ronken is altijd complex geweest. En lang heb ik mij daar zorgen om gemaakt. Soms wil ik mij domiciliëren in mijn nest van dons, het liefst in bergbeklimmerpositie (op de buik, één knie opgetrokken, handen onder het kussen), maar tegelijkertijd betekent slaap voor mij vaak ook beklemmende dromen, nachtelijke wartaal uitkramen of sporadisch slaapwandelen (aan iedereen die ooit een bed met mij deelde: stuur de rekening van de therapeut door). Ik heb de gave om als een blok (lees: gepantserd beton) in slaap te kunnen vallen op lukrake plaatsen, in even lukrake posities. Zo vouwde ik mezelf ooit op als een origami toen tijdens een weekend met vrienden bleek dat er was misrekend, maar er wel nog een babybed leeg stond. Zolang de kronkels enkel in ledematen en niet in gedachten zitten, kraak ik de slaapcode sans effort. Maar soms valt met de nacht ook alles binnen.
In de oertijd betekende een groep vroege vogels versus nachtuilen dat er altijd iemand wakker en waakzaam was. Ik onthou: nachtbrakers zijn niet abnormaal
Alsof de maan zeventien tabbladen in mijn hoofd heeft opengezwierd. Flarden van gênante herinneringen (toen ik op een feest in een volle living en in volle vitesse tegen het schuifraam knalde), to do's (deze column schrijven, bloed gaan geven, hoe zit het met dat elektronisch factureren?), zorgen (mensen met honger, huizen onder water), dingen die ik kwijt ben (regenjas, uitgeleende boeken, een helder vijfjarenplan) en geniale uitvindingen waarvan ik me afvraag wie erachter zit (schoenlepels, het mandje in augurkpotten). Het lukt altijd nog heel even om mezelf wijs te maken dat ik de slaap opnieuw bij zijn nekvel ga kunnen grijpen, maar als ik de klok zie verspringen naar de onverbiddelijke vier, weet ik hoe laat het is.
Ik maak een leuning van kussens en klap mijn laptop open. Het voelt altijd een beetje clandestien om ergens aan te beginnen terwijl de lantaarnlampen buiten nog flikkeren en de vossen nog door Brussel snuisteren, maar eigenlijk is de nacht voor mij vaak een goeie werkgever geweest. De helft van mijn thesis is gemetseld terwijl huis en hond sliepen. Theaterteksten waar ik op zat te knarsetanden, rolden vaak toch uit mijn pen wanneer ik uit bed en dwars door het maanstof rolde. En ook deze letters kennen een nachtelijke bevalling.
Tijdens mijn onlinenachtduik leer ik dat de opsplitsing tussen ochtend- en avondmensen reëel is. Meer nog: er zou een evolutionaire verklaring voor zijn. In de oertijd betekende een groep vroege vogels versus nachtuilen dat er altijd iemand wakker en waakzaam was. Ik onthou: nachtbrakers zijn niet abnormaal. Want ik zou de wacht hebben gehouden terwijl in de grot lijven en levens rustten. En met die gedachte – en dankzij deze productieve nachtdienst – kan ik een paar tabbladen in mijn bovenkamer dichtsmijten. Alsof iemand het geluid van de dampkap afzet.
Lees meer over: Column , Column Amber Janssens