'Elk sterven heeft een decor. Maar slechts zelden is dat rollend materieel dat door de stad blijft denderen', schrijft columnist Jeroen Maris. Hij beschrijft in deze column Brussel via zijn observaties in de tram, de metro en de bus.
Jeroen Maris is schrijver en journalist, en woont in Schaarbeek.
Columnist Jeroen Maris over Driss Atounane: 'Voor eeuwig een vader van 54'
De tram zet het op een jammeren terwijl hij wegdraait van het Liedtsplein. Een schril piepen is het, het moegetergde geluid dat je ook hoort bij de hydraulische pers van een vuilniswagen. Het klinkt als protest: toe, niet deze bocht, niet dit traject, niet deze dag.
In de tram is slechts de helft van de zitplaatsen ingenomen. Bij elke halte schuiven de deuren verlangend open, een uitnodiging, een smeekbede, een bevel, maar nergens stapt meer dan een handjevol mensen in. Dit is nog het Brussel van de zomer, dit is het achtergelaten huis. Zo gaat het elk jaar weer: in juli wordt een grote zuignap op de stad geplaatst. Twee maanden lang ontdoet Brussel zich van zichzelf om daarna tien maanden helemaal eigen te kunnen zijn.
Vannacht is eindelijk de regen gekomen, nadat de hitte wekenlang een ruwe deken is geweest die de stad smoorde. In de hoofden van wie toch achtergebleven was, kwamen alle draden los. Geen gedachte kon nog worden afgemaakt. De stad leek niet echt meer te bestaan, geen werkelijke actie te bevatten, alleen nog een warm gestookt poppenhuis te zijn.
'Tram 55 rijdt elke dag een beetje verder van Driss'
Toch is het hier gebeurd, niet in een bedachte zomer maar in een echte, niet in de roman die Brussel vaak is, maar in de non-fictie van de stad: het sterven van Driss Atounane.
Ter hoogte van de halte Linde in Schaarbeek, het tijdelijke eindpunt van lijn 55, zag Driss op donderdag 23 juli hoe een man een vrouw belaagde. Hij nam het voor haar op, kreeg klappen, viel neer op de koele vloer van de tram. Ging enkele dagen later dood in bleek ziekenhuiswit. Bleef een vader van 54.
Elk sterven heeft een decor. Maar slechts zelden is dat rollend materieel dat door de stad blijft denderen, elke dag opnieuw. Ook na die donderdag in juli brachten de sporen tram 55 van Rogier naar Linde, en van Linde naar Rogier. Op het Liedtsplein glijdt hij elke tien minuten voorbij de supermarkt die Driss uitbaatte. Kijken ze dan even op, de familie en de vrienden? Luisteren ze naar de tram, naar de besliste bel die zijn komst aankondigt? Of mag hij niet meer bestaan?
Een tram kan geen rouw blijven dragen, daar is hij niet voor gemaakt. Hij snijdt door de stad, knipt ze open met de onregelmatige, gekartelde halen van een kinderschaartje. Terwijl wie rouwt net het tegengestelde verlangen kent: niet meer bewegen. Bij de halte op het bankje blijven zitten.
Zo rijdt tram 55 elke dag een beetje verder weg van Driss. Maar sluit de ogen wanneer hij wegdraait van het Liedtsplein, en je hoort dat het schrille piepen ook wenen kan zijn.
Lees meer over: Evere , Schaarbeek , Column , Column Jeroen Maris , Driss Atounane , lijn 55 , MIVB , Liedtsplein