Menu

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni

| Lies Van Overschée is verantwoordelijke van gemeenschapscentrum De Platoo in Koekelberg.

Column

Lies Van Overschée: 'Politiek, dat is voor ernstige mensen'

Lies Van Overschée
© BRUZZ
19/04/2026

Lies Van Overschée is verantwoordelijke van gemeenschapscentrum De Platoo in Koekelberg. In haar tweewekelijkse column onderzoekt ze de spanning tussen Brussel als publieke ruimte en het leven achter gesloten gordijnen.

Op het kruispunt van de Ribaucourtstraat en de drukke stadssnelweg ligt een winkeltje. Elke dag open, van ontieglijk vroeg in de ochtend tot ver na zonsondergang. Er werkt een klein team van mensen dat je na een week al vraagt hoe het met je gaat. Eerst denk je dat het is omdat je zelf makkelijk een praatje slaat, later merk je dat dat (uiteraard) onzin is: iedereen krijgt dezelfde glimlach, dezelfde vriendelijke vragen. “On est comme une famille ici, tu sais.” Frans met ieder zijn eigen tongval als lingua franca van de grootstad.

De gerant van de winkel is er, lijkt het wel, altijd. Pendelt al jaren vele kilometers en brengt in de vakantie zijn kinderen mee. Niet blind voor de informele handel en wandel op straat, maar zelden kwaad. Ontzegt niemand ooit écht de toegang tot zijn winkel. Humor is zijn gevaarlijkste wapen. Bracht een jaar of wat geleden een koffiezetapparaat mee: een paar minuten warmte in een kartonnen bekertje. Eén euro en als je die niet bij je hebt, dan kan het voor een keer wel op de poef. Gerant van de winkel? Van de hele buurt, zal je bedoelen. Verkoopt dan wel industrieel verpakt brood, maar gééft aandacht. Dat de vermoeidheid hem soms als een deken over de schouders ligt, lacht hij weg. “Geen tijd om moe te zijn, madame Lise, et je veux donner le bon exemple à mes enfants.”

Zijn bijnaam? Monsieur le Bourgmestre. Omdat hij vrijwel iedereen bij naam kent, ook als die naam niet op wettige papieren staat. Omdat hij er altijd is, hij kan het zich als ‘simpele winkelgerant’ maar moeilijk veroorloven afwezig te zijn. Omdat hij zelf graag bijnamen verzint en smakelijk lacht als hij de zijne hoort. “Je ne suis pas un politicien, tu sais. La politique, c’est pour des gens sérieux.”

Frans met ieder zijn eigen tongval is de lingua franca van de grootstad

In glanzende magazines lees ik weleens over de nieuwe buurtwinkel. Ik lees dan over nostalgie, over hoe oud- en nieuwerwets er in perfecte symbiose samenkomen. Ik lees dat ik er enkel met een kaart kan betalen, het liefst nog in het Engels. En dat iedereen er over de vloer komt, van poetsman tot minister. Ik lees niet dat je er zelf twee klontjes suiker bij de koffie mag nemen en dat het tangetje om die suiker uit de bokaal te vissen nagenoeg altijd zoek is. Zou de man die ik net nog een paar muntstukken gaf er dan niet terechtkunnen, zonder betaalkaart? Of zou de minister dat dan even voorschieten, bedenk ik me, een beetje naïef.

Die nieuwe buurtwinkeltjes zijn een aanwinst, laten we dat vooral niet in vraag stellen. Maar zullen we het kruispuntwinkeltje op die grijze doorgangsplek ook maar roemen en benoemen? Misschien komt niet iedereen er over de vloer, en misschien is het er soms stoffig, maar de gerant is (ook) daar vriendelijk. Dat die van het winkeltje bij mij om de hoek maar nooit echt burgemeester wordt. Hij zou meteen verkozen raken, maar we hebben hem hard nodig. Hij mag niet te lang afwezig zijn.

Column Lies Van Overschée