Menu

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni

| Lies Van Overschée is verantwoordelijke van gemeenschapscentrum De Platoo in Koekelberg.

Column

Lies Van Overschée: 'Taal is een blinkende spiegel van ongelijkheid'

Lies Van Overschée
© BRUZZ
17/05/2026

Lies Van Overschée is verantwoordelijke van gemeenschapscentrum De Platoo in Koekelberg. In haar tweewekelijkse column onderzoekt ze de spanning tussen Brussel als publieke ruimte en het leven achter gesloten gordijnen.

Het is iets voor vier en de laatste vergadering van de dag komt eraan. Een na een druppelen de collega's binnen. Ik zoek mijn schrift en potlood bij elkaar en stuur snel nog een berichtje naar mijn kinderen. “Dag moppie, ça va daar?” en “Jooow bobbie, beetje later thuis vandaag.” Behendig hinkel ik tussen scherm en tour de table, tot ik iemand hoor vragen of chacun dans sa langue mag spreken. Het voorlopig laatste bericht van mijn jongste valt binnen: “Jup!” Naar de vergadertafel nu, waar ieder in zijn eigen taal toch vooral betekent dat we in het Nederlands en Frans met elkaar spreken.

Gelijkheidsbeginsel, revendiquer, agency, microagressie; een uur lang worden de moeilijkste woorden bij elkaar gegoocheld. Mijn verslag lijkt een beetje op experimentele poëzie. Woordwaarde honderd ofte Scrabble voor gelijkgestemde gevorderden. Ik glimlach om het slome “Jup …” dat ik opnieuw op mijn scherm zie verschijnen. Ieder zijn eigen taal, jawel, en het juiste woord op het juiste moment.

Boeken toe, de fiets op naar huis. “Ah voisine! Lang geleden. Pintje?” “Yes, j'veux bien. Dankuuu.” Precies in het midden tussen mijn werk- en woonplek stap ik nog even het café binnen. Ik merk hoe mijn taal verandert. Bij sommige mensen haal ik de meest gekuiste versie van mijn moedertaal boven, bij vrienden floepen er steeds vaker Brusselse woorden tussen. Doet niet iedereen dat? Tieners spreken me directer aan dan iemand van zeventig. Korter. Zonder aanspreking. In mijn taal zou dat onbeleefd heten, in hun taal is dat gewoon. Oudere mensen hebben vaak iets permanent klagerigs in hun stem, alsof elke zin auditief begeleid wordt door artrose.

Wat een aannames. Ze klinken gemeen en ze zijn onjuist.

Bij sommige mensen haal ik de meest gekuiste versie van mijn moedertaal boven, bij vrienden floepen er steeds vaker Brusselse woorden tussen

Nu ja, taal is zelden lief. Zelfs neutrale taal blijkt zelden neutraal. Want waarom zeggen we nog altijd 'ieder zijn eigen taal', waarom niet 'ieder haar eigen taal'? Waarom voelt het mannelijke 'zijn' nog altijd als de neutrale vorm?

En is taal niet een van de meest blinkende spiegels van ongelijkheid? Waarom ken ik meer woorden dan iemand die in andere omstandigheden opgroeide? Niet omdat ik slimmer ben, maar omdat ik geluk had. Omdat er boeken waren en omdat thuis niemand twee jobs moest combineren om de huur te betalen. Woordenschat wordt graag beschouwd als (enkel) talent, terwijl het vaak vooral geërfde toegang is.

Ondertussen gebruikt iedereen taal om indruk te maken. De ene doet het met moeilijke woorden, de andere met straattaal. Een academicus die paradigmatische verschuiving zegt en een zestienjarige die 6 7 mompelt, zijn eigenlijk exact hetzelfde aan het doen: tonen dat ze ergens bij horen.

“Words are all we have.” Misschien kent u de zin wel. U kunt zelfs kiezen vanwaar: Samuel Beckett wist het al vóór de Bee Gees het door onze radio kweelden. Ting. Een bericht. “Jup! Mijn toets Nederlands ging gans bien.”

Column Lies Van Overschée