Lies Van Overschée is verantwoordelijke van gemeenschapscentrum De Platoo in Koekelberg. In haar tweewekelijkse column onderzoekt ze de spanning tussen Brussel als publieke ruimte en het leven achter gesloten gordijnen.
© Ivan Put
Lies Van Overschée: 'Vrijdag is wasdag'
Elke vrijdag is het wasdag. De lakens worden van het bed gestroopt, de sokken binnenstebuiten gedraaid en nu en dan vinden ook sjaal en wintermuts hun weg naar de wasmand. Terwijl ik het droogrek openplooi, denk ik aan het pakje dat de postbode gisteren niet door de brievenbus kreeg. De nog nadruppende kleren hangen, veilig aan het zicht onttrokken, in de kelder te drogen. Ik heb tijd om even de deur uit te gaan.
Op het plein wat verderop trekt een vrolijke bestelwagen mijn aandacht. Blauw, met bubbeltjes erop geschilderd, erin een ronkende wastrommel. Tiens, zou 'vrijdag wasdag' iets van iedereen zijn, vraag ik me af. Naast de bestelwagen een groepje mensen. Ze staan te wachten, ze drinken een koffie of slaan een praatje. Niet alleen hun vuile was wordt hier uitgestald, maar ook een deel van hun leven. Wat bij mij in de kelder verborgen blijft, gebeurt hier op het gemeenteplein, in het volle zicht. Hemden, onderbroeken, een gescheurde jas. Sporen van dagen die eigenlijk niemand iets aangaan.
Een beetje gegeneerd om mijn eigen voyeurisme kijk ik weg en stap ik de winkel binnen waar mijn pakje afgeleverd werd. Ik neem een winkelkarretje, laad de nietszeggende doos in en sla even af richting snoepgoed. Chips, popcorn, een chocoladereep … ik geneer me weer, om mijn eigen koopzucht, en draai mijn winkelwagen subtiel weg van nieuwsgierige blikken. Geen zin dat iemand meekijkt naar wat ik koop.
Laten we het ons eens voorstellen: een stad waarin steun niet begint bij je moeten blootgeven, maar bij vertrouwen
Onderweg loop ik bijna tegen de gebruikelijke rij bij de voedselbedeling aan. Moeten wachten op een pakket betekent dat iedereen kan zien wie er aanschuift, wie er iets nodig heeft. Hoe zou het zijn mocht ik zelf niet kunnen kiezen wat ik vanavond klaarmaak, bedenk ik me. Mocht ik moeten eten wat iemand anders voor me in een pakket gestopt heeft. Mijn winkelkarretje vervangen door een vale doos. Geen schaamte om te veel snoepgoed, maar wel dat ik rijtje schuif. Want hoe zou ik het zelf eigenlijk vinden mocht iedereen mij zien staan?
Thuisgekomen trek ik de voordeur achter me dicht en ga aan het plooien. Het houdt me bezig. Waarom moet de vrouw op het plein haar leven openleggen om recht te hebben op ondersteuning, terwijl ikzelf alles kan afschermen? Waarom moet de man bij dat publieke loket elke keer weer aantonen dat hij het écht nodig heeft? Gaat waardigheid dan gek genoeg ook soms over onzichtbaar mogen zijn? Het recht om niet bekeken te worden. Om niet telkens te moeten tonen wat er ontbreekt, om van je eigen persoonlijke verhaal geen publiek schouwspel te moeten maken. Het geroemde recht op privacy, op schaamte die niet in de openbaarheid gebracht wordt.
Laten we het ons eens voorstellen: een stad waarin steun niet begint bij je moeten blootgeven, maar bij vertrouwen. Waarin zorg bestaat zonder dat je je tekort hoeft te delen met de buitenwereld. Dat hoeft misschien geen zeepbel te zijn.
Lees meer over: Brussel , Column , Column Lies Van Overschée