Lies Van Overschée is verantwoordelijke van gemeenschapscentrum De Platoo in Koekelberg. In haar tweewekelijkse column onderzoekt ze de spanning tussen Brussel als publieke ruimte en het leven achter gesloten gordijnen.
© Ivan Put
Lies Van Overschée: 'Waarom tieners voor eventjes verdwijnen in het toilet'
En zo gebeurt het dat het weer juni is. De maand met de langste dagen, met het meeste uren licht. De maand waarin de asperges langzaam zerp worden, maar de aardbeien op hun zoetst zijn. Alles schreeuwt al om zomer, maar zit nog even vast in afspraken, agenda's en laatste loodjes.
Zoals telkens in juni neem ik vaak de fiets, naar nergens precies, om de stad even te ontzien. Asfaltbanen ruimen langzaam plaats voor losliggende stenen; ze kronkelen hun weg naar een of andere open plek. Het radiootje van de koffiebar aan het bos fluistert schel als ik mijn fiets vastmaak aan een varenstruik vol teken. Aan de breedte van de bedding te zien, is de beek een beetje smaller dan afgelopen winter.
Wat een verschil met de spanning die in de stad hangt. Door de gangen van menig middelbare school wedijveren adrenaline en cortisol om de hoogste waarden, wie weet wel recht evenredig met de zoektocht naar een goed eindrapport. Waar ikzelf in de jaren 1980 nog procentpunten naar jaartal moest scoren, hoor ik vandaag sommige tieners vooral hopen dat ze straks geen uitnodiging krijgen om een andere school op te zoeken. Er volgt een al te bekende waterval aan tranen.
Tieners hebben plaats nodig om rollen uit te proberen, regels te bevragen en ja, soms ook fouten te maken
Tussen twee examens door druppelt er een groep meisjes mijn werkplek binnen. Ze giechelen en filmen elkaar, en verdwijnen met zijn zessen in het toilet. Wat ze daar vinden? Een spiegel, stromend water, een stopcontact. Een ruimte waar ze (letterlijk) dicht bij elkaar kunnen zijn en een moment lang onzichtbaar blijven voor de rest van de wereld. Gebonk tegen het raam en de weeë geur van deodorant verraadt dat ze er een kwartier later nog rondhangen. “Is dat normaal?” vraagt een collega, “of zijn ze ons aan het uitdagen, aan het testen?”
De spanning tussen onzichtbaar willen zijn en zich toch gezien voelen, bestaat misschien nergens zo scherp als bij tieners. Ze zoeken plekken waar ouders of leerkrachten niet voortdurend meekijken. Niet omdat ze per definitie iets verkeerds (willen) doen, maar omdat ze een eigen wereld nodig hebben om zichzelf te ontdekken. Een wereld die nog niet vastgebetonneerd zit in gewoontes, regels en gebruiken. Tussenruimte, restruimte, ruimte die normaal voor andere doeleinden gebruikt wordt: tieners hebben plaats nodig om rollen uit te proberen, regels te bevragen en ja, soms ook fouten te maken. Zonder daarom finaal afgestraft te worden met een attest dat hen elke verdere toegang ontzegt.
Nu ikzelf drie keer hun aantal jaren oud ben, heb ik nood aan erkenning, maar tegelijk ook aan een veilige plek om mezelf te zijn. Voor mij betekent dat de natuur in fietsen, voor tienermeisjes betekent dat misschien wel TikTok-filmpjes opnemen in het toilet van een vrijetijdshuis en daardoor onbedoeld eigenlijk langer dan nodig die plek innemen. Maar zullen we de deur toch maar niet te rap dichtslaan?
Lees meer over: Brussel , Column , Column Lies Van Overschée