Aan de muur van mijn schrijfkamer hangt de huwelijksfoto van mijn grootouders. Hij heeft iets Spaans, met zijn dikke, donkere wenkbrauwen. Zij verbergt haar onzekerheid, in haar maagdelijk witte jurk.
Ik zie vooral een jong koppel dat in elkaar gelooft, en in de geloften om samen een toekomst uit te bouwen.
Maar die hoop krijgt amper een kans. Nog geen twee jaar later sterven ze in een autocrash; ze laten een dochtertje van veertien maanden achter – mijn moeder.
Thuis in Brugge heb ik het portret nooit zien hangen. Het lag al die tijd ergens op zolder, weggestoken, omwikkeld in bruin oliepapier. Toen ik verhuisde naar Anderlecht, nam ik de foto stiekem mee.
Afgelopen weekend hoorde ik opeens een bonk. Het reliek lag op de grond, met de lijst aan de onderkant gebroken en met glinsterende krullen op het tapijt van de losgekomen goudverf. Door de hitte buiten was het rubbertje gesmolten waaraan het kader hing.
Misschien blijven sommige trauma's gewoon te zwaar doorwegen om zomaar aan de buitenwereld te tonen.
Maarten Goethals