Voor mijn concert in het Brusselse stadhuis glipte ik nog even een Thai binnen om de hoek. Zonovergoten terras, recht tegenover een politiekantoor met twee agenten op wacht.
Iets verderop zie ik van op het terras een vrouw staan. Midden dertig. Geblondeerd haar in twee scheve staartjes, kort wit rokje, blote benen, witte slippers. Ze gaat naast de ingang staan, kijkt strak voor zich uit, zet haar benen wijd en plast rechtstaand op het trottoir. Op minder dan een meter van de politie. Niemand beweegt. Zij ook niet – minutenlang, alsof de stad even stilvalt.
“Ze komt hier vaker”, zegt de ober. “Ze denken soms dat ze dakloos is, maar dat klopt niet.”
Nieuwe agenten komen aan, wijzen naar de plas, krijgen een knikje … en beginnen te lachen. Een grof gebaar volgt. Geen vraag, geen hulp. Alleen spot.
Ik betaal en wandel naar mijn concert. Tweehonderdvijftig meter verder: kroonluchters, applaus. Vier werelden op één rechte lijn: Brussel.
Marie François