Maandagmorgen. 7.30 uur. De deurbel gaat. Halfslapend opent mijn huisgenoot de deur. “Pas op! Er is een kat binnen!” Dat vind ik normaal. We hebben een kat. Die is daarnet naar boven gesprint, want de bel betekent vreemde, enge mensen.
Maar de kat die de keuken binnenloopt, ken ik niet. Op zoek naar een verstopplek parkeert het beestje zich tussen de keukenkast en de muur. Met klaaglijk gemiauw laat de pluizenbol weten dat ze eigenlijk naar huis wil. Maar waar is thuis? Buiten zoekt niemand een kat.
Binnen wil onze huiskat ook in de keuken. Uiteindelijk kan ik de indringer oppakken en in de garage opsluiten. Onze eigen poes ligt op zijn vertrouwde plekje aan het raam. We hangen een briefje aan de deur met een foto.
‘s Avonds gaat nog eens de bel. Een paniekerige vrouw wil graag weten waar we haar poes gezien hebben. Ze zit in onze garage. “Oh Fifi! Vient!” Er volgen een boel knuffels voor Fifi, die uit het raam van de eerste verdieping gevallen was.
Dat ze onverschrokken haar toevlucht zocht in een vreemd huis bleek haar redding.
Lieve Rodiers