In het café met de rode deur, waar elke Dansaertvlaming zijn weg al naartoe vond, lees ik de menukaart. Die typische lijst met frisdranken, warme dranken, bier van de tap, kaas en droge worst. Een gezellig geroezemoes van toogklap en stoelgeschuifel sluipt het ene oor in, het andere nooit meer uit.
Ik weet al wat ik wil. Het is geen bier, want die bubbeltjes zijn vervelend. Het is ook geen wijn, want eigenlijk ben ik al een beetje zat. Ik lees de kaart om interessant te doen, en straks maak ik misschien nog een toren van bierviltjes.
Om te bestellen is het aan de toog te doen. Zo'n mooie toog waarbij elke boomer met een haarlijn die stilletjes achteruitgaat spontaan begint te vertellen over zijn liefde voor een échte bruine staminee. Ik begrijp het wel, want dit is ook mijn lievelingscafé. Onderweg naar de bar passeer ik een groepje schakers en de dakloze mevrouw die hier steeds haar dutje mag doen.
Het wordt tomatensap. Een beetje pikant, perfect passend bij de rode deur.
Ik vrees dat ik zelf een Dansaertboomer ben.
Inne Krokaert