Menu

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni

Interview met Katia Fournier.

In België verblijven vandaag meer dan 10.000 kinderen in de asielopvang: bijna twee derde van hen is jonger dan twaalf jaar. Dat blijkt uit een vijfjarig onderzoek van Katja Fournier, onderzoekster aan het kenniscentrum Gezinswetenschappen van de hogeschool Odisee.

“Dat zijn enorme aantallen", zegt Fournier. “En de situatie verbetert niet.” Het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van het federale opvangagentschap Fedasil, volgde vijf jaar lang gezinnen, kinderen en medewerkers in asielopvangcentra over het hele land, ook in Brussel. De conclusie is duidelijk: opvangcentra zijn niet ontworpen als plekken waar kinderen veilig kunnen opgroeien.

“Het zijn vaak gerecycleerde gebouwen: oude hotels, kantoren of bankgebouwen", legt Fournier uit. “Mensen leven er dicht op elkaar, met anderen die ze niet kennen, terwijl ze allemaal zware ervaringen meedragen. Kinderen groeien daar soms maanden, vaak zelfs jaren op.”

In Brussel alleen al zijn er een twintigtal opvangcentra. Veel daarvan beschikken nauwelijks over speelruimte. “De minimale norm is vier vierkante meter per persoon", zegt Fournier. “Daar moeten kinderen leren lopen, huiswerk maken, slapen en omgaan met broers, zussen en andere gezinnen.”

Onveiligheid en gebrek aan privacy

Een terugkerend probleem is het gebrek aan basisveiligheid en privacy. “Voor veel gezinnen is zelfs naar het toilet gaan ’s nachts een dilemma", vertelt Fournier. “Is het veilig? Maak ik mijn kinderen wakker? Sluit ik de deur met alle risico’s van dien? Dat zijn dagelijkse vragen.”

Volgens het onderzoek verhindert die voortdurende stress dat kinderen tot rust komen. “Nochtans is dat de grootste nood: eindelijk veiligheid voelen.”

Niet alleen gezinnen lijden onder de omstandigheden: ook opvangmedewerkers botsen op hun grenzen. “Het is een sector met enorm geëngageerde mensen", zegt Fournier. “Maar ze hebben simpelweg niet de middelen om te doen wat ze voor kinderen willen doen.”

Gebrekkige infrastructuur, personeelstekorten en complexe situaties zorgen voor uitval en burn-outs. “En dat heeft een domino-effect: als mensen uitvallen in een team dat al onderbemand is, komt de hele werking onder druk.”

Wat is er nodig?

Volgens Fournier is de sector structureel ondergefinancierd. “Er zijn meer middelen nodig voor aangepaste gebouwen, voor voldoende personeel en voor de vorming en ondersteuning van teams.”

Belangrijk daarbij is dat het perspectief van het kind centraal staat. “Bij elke beslissing: welk gebouw kies je, hoe richt je het in, wie neem je aan? Kinderen moeten een expliciet criterium zijn.”

De hoop dat een dalende instroom de situatie vanzelf zal verbeteren, noemt Fournier onrealistisch. “Ik werk al twintig jaar in deze sector en heb dat nog niet gezien. Zolang er oorlogen, conflicten en klimaatdruk zijn, zullen mensen blijven vluchten.” Besparen in afwachting van minder aankomsten noemt ze gevaarlijk. “De sector staat nu al op een kantelpunt.”

Langetermijnimpact op de samenleving

De gevolgen reiken verder dan het moment zelf. “Veel van deze kinderen blijven later in België", zegt Fournier. “Als ze jarenlang opgroeien in een onveilige context, dragen ze die trauma’s mee. Dat is niet alleen een individueel, maar ook een collectief risico.”

Tegelijk zag ze ook hoopvolle momenten. “Ik heb de mooiste vormen van solidariteit gezien: tussen gezinnen, tussen kinderen, tussen bewoners en medewerkers. Mensen met ongelooflijke veerkracht en doorzettingsvermogen.”

Volgens Fournier is asielopvang een cruciale overgangsfase. “Als we mensen hier laten landen in veiligheid en rust, kunnen ze bouwen aan hun toekomst en die van hun kinderen. Maar als we dat nalaten, betalen we daar als samenleving later de prijs voor.”