“Kunnen we achter de problemen en de uitdagingen nog steeds de mens blijven zien?” Na een onaangename confrontatie met twee agenten van een privébewakingsfirma en een bedelaar kroop Brusselaar Patrick Vanhoucke in de pen.
© Kevin Van den Panhuyzen/BRUZZ
Patrick Vanhoucke: 'Waarom ik een bedelaar een broodje van de Panos gaf, verboden of niet'
Patrick Vanhoucke
- Woont in Sint-Jans-Molenbeek
- Ambtenaar
- Schrijft deze bijdrage ten persoonlijke titel
Afgelopen zaterdag ben ik kwaad geworden. Op een mens. Die waarschijnlijk gewoon deed wat van hem werd verwacht. Maar eigenlijk op het systeem dat blijkbaar verwacht dat die mens deed wat die deed.
Zoals wel vaker word ik in het treinstation van Brussel-Zuid aangesproken door mensen die om geld vragen, of om iets te eten of te drinken. Soms habitués, soms mensen die je voor het eerst en daarna nooit meer ziet.
Vandaag was het een habitué. Een man van onbestemde origine, die geen Nederlands of Engels spreekt, en maar amper Frans. Hij kan zich net voldoende verstaanbaar maken om een koek met pecannoten, een flesje water, of soms een belegd broodje te vragen. Koffie drinkt hij niet. Slecht voor de maag, gebaart hij steeds.
Ik kwam hem tegen ter hoogte van de Panos. Hij vroeg of ik een panini ham-kaas voor hem kon kopen. We schoven samen aan. Ik vraag altijd of we samen kunnen aanschuiven en of de persoon ook zelf het gevraagde in ontvangst wil nemen nadat ik heb afgerekend. Voor sommige van deze mensen is het een drempel, maar ik doe het zo om hun een stukje zelfstandigheid en waardigheid terug te geven. Ik weet niet of dat een goede aanpak is, maar het is hoe ik het aanvoel.
We staan dus samen aan te schuiven voor een panini. Plots staan er twee agenten van een privébewakingsfirma naast ons. Ze spreken onze habitué aan. Dat het verboden is om te bedelen in het station. “Interdit!” Zulke conversaties verlopen in Brussel standaard in het Frans. Omdat ik weet dat 'onze habitué' niet zo mondig is in de taal van Molière, of in eender welke andere officiële taal van ons land, doe ik het woord. Ik zeg op kalme, maar besliste toon dat we staan aan te schuiven voor een broodje dat ik voor meneer zal kopen. “Niks mee te maken”, reageert de bewakingsagent weer. Zijn compagnon houdt de lippen op elkaar. “On connaît ce monsieur!” “O”, zeg ik, “maar ik ken meneer ook, en we staan hier enkel maar aan te schuiven voor een broodje.” Ik herhaal wat ik eerder al zei, maar de hele situatie begint op mijn zenuwen te werken en ik verhef mijn stem. “Ho, ho, ne me parlez pas sur ce ton impressif”, verheft de agent nu zelf zijn stem, alsof hij het slachtoffer is.
Mijn hart bonst in mijn keel. “Wie maakt hier een autoritaire indruk en straalt met zijn uniform macht uit?” wil ik zeggen, maar ik slik mijn woorden in om het gesprek niet verder te laten escaleren. Ik herhaal dat we hier enkel staan aan te schuiven voor een broodje en probeer duidelijk te maken dat het gesprek wat mij betreft voorbij is. Een wat oudere Franstalige mevrouw die voor ons op haar bestelling staat te wachten schudt meewarig het hoofd. Ik hoor haar iets mompelen als “Wat voor herrie maken die twee eigenlijk?” duidelijk doelend op de bewakingsagenten. Het duo vertrekt en de man kan eindelijk zijn panini ham-kaas bestellen. Al die tijd heeft hij gezwegen. We gaan naar de kassa en ik betaal.
'Merci chef'
Samen lopen we naar het stalletje van The Java Coffee House waar ik vaak een americano drink. Zichtbaar opgelucht dat ik het daarnet voor hem opnam, maar ook onder de indruk, begint hij weer wat te praten. Met de weinige woorden die hij heeft maakt hij me duidelijk dat ik het goed heb gedaan. Ik wuif het compliment weg en zeg hem dat hij zich geen zorgen moet maken: “Ne vous inquiétez pas.” Ik bestel mijn koffie en koop voor hem nog een flesje water. Hij schudt me de hand en met een “Merci, chef” neemt hij afscheid.
"Bedelen is niet strafbaar, maar een mensenrecht als overlevingsstrategie"
Ik kan het gebeurde niet zomaar uit mijn hoofd zetten. Terwijl ik mijn koffie drink, besluit ik dat ik hierover moet getuigen, en begin ik dit stukje te schrijven.
Ik woon en werk vijfentwintig jaar in Brussel en weet dat in onze hoofdstad niet alles rozengeur en maneschijn is. De problemen en uitdagingen die Brussel kent zijn dezelfde als in alle grote (wereld)steden. Helaas kent ons land slechts één echte metropool, waardoor Brussel voortdurend als 'hellhole' wordt afgeschilderd en onder een vergrootglas wordt gelegd. Dat Brussel een 'omgekeerd stadsgewest' is – waar de kansengroepen in het centrum wonen en niet in de periferie, zoals in steden als Parijs of Stockholm – maakt die problemen en uitdagingen net heel zichtbaar voor wie in het centrum werkt of leeft. Zo kunnen we als burgers die in het centrum bedrijvig zijn tenminste niet “Wij hebben het niet geweten” zeggen.
Kunnen we, zonder van de problemen en uitdagingen weg te kijken, de dingen een beetje in perspectief plaatsen en niet alles op een hoop gooien? Kunnen we achter de problemen en uitdagingen de mens blijven zien? De mens die aandacht verdient, ook als die door eigen foute beslissingen of door de omstandigheden van het lot niet helemaal 'het rechte pad' bewandelt? Daklozen, mensen in armoede en met een verslavingsproblematiek moeten worden begeleid naar een hopelijk betere toekomst. Dat is een humanistische houding, die de autonomie en waardigheid van de mens centraal stelt en waar we allemaal baat bij hebben. En bedelen is niet strafbaar of “interdit!”, maar een mensenrecht als overlevingsstrategie.
Zelf een opiniestuk insturen?
BRUZZ biedt ruimte aan prominente stemmen, experts in hun veld en Brusselaars met een scherpe mening over fenomenen of tendensen in de hoofdstad.
Zelf een opiniestuk insturen? Mail naar de redactie