Kersvers minister-president Boris Dilliès kon de pers niet in het Nederlands te woord staan. Dat zette het debat rond de positie van het Nederlands in Brussel weer op scherp. Maar zouden een pak Nederlandstalige Brusselaars niet in dezelfde situatie verkeren mochten zij vragen in het Frans voorgeschoteld krijgen? “Het is perfect mogelijk je te wentelen in een eentalige bubbel, ook in een tweetalige stad.”
©
Maarten Goethals/ChatGPT
Getuigenis: 'Help, ik ben Vlaming, woon in Brussel en spreek geen woord Frans'
Het pers- en politieke landschap stond de afgelopen weken in rep en roer door kersvers minister-president Boris Dilliès (MR) die geen vragen in het Nederlands kon beantwoorden. Meer dan ‘Ik weet het niet, we zullen zien’ kwam er niet uit, wat het debat rond de positie van het Nederlands in de tweetalige hoofdstad weer op scherp zette. En terecht. Het is immers geen geheim dat het Nederlands in de Brusselse openbare dienstverlening regelmatig te wensen overlaat. Dat lijkt nu herbevestigd doordat het gezicht van een tweetalige stad zich niet kan uitdrukken in een van die twee talen.
Menig politiek collega drukte dan ook op de sociale media zijn of haar verontwaardiging uit. Daarop beloofde Dilliès al snel om zijn Nederlands op te krikken: “Ik ben de Brusselaars een goede kennis van het Nederlands verschuldigd. Dat is essentieel, ik pleit schuldig”, zei hij tijdens een interview op een radiozender van RTBF.
Terwijl ik opinie na opinie zag binnenstromen, kon ik me alleen maar afvragen: zou ik – en bij uitbreiding, nog vele andere Nederlandstalige Brusselaars – me niet in dezelfde positie bevinden mochten wij uit ons bureau worden geplukt om een uur later in een Franstalige persconferentie gedropt te worden?
Frans en passant
Mijn achtste jaar is het al dat ik deze stad mijn uitvalsbasis mag noemen, maar ik moet alleszins niet ver graven in mijn geheugen om gênante momenten op te rakelen, waarin ik tevergeefs een gesprek in het Frans probeerde aan te knopen. Toen ik in de Fnac met de beste wil ter wereld niet kon uitleggen aan de winkelmedewerker welke batterij ik nodig had, bijvoorbeeld, en dus batterijloos afdroop. Of bij de telecomwinkel waar ik in paniek belandde toen de batterij van mijn gsm kapot was. “Mon gsm est cassé, je pense”, was het enige wat ik kon uitbrengen.
Om maar te zeggen: toen ik de arme minister-president zo hulpeloos zag kijken bij de Nederlandstalige vragen die op hem afkwamen, kon ik alleen maar (in het Engels) denken: I feel you. Akkoord, ik ben geen minister-president (voorlopig, althans), maar ook ik ben een inwoner van een tweetalige stad die maar matig een van die twee talen spreekt. En ook ik doe weinig inspanningen om dat te verbeteren, omdat ik mijn leven kan inrichten met Frans en passant.
©
Photo News
| Brussels minister-president Boris Dilliès (MR): "Ik ben de Brusselaars een goede kennis van het Nederlands verschuldigd."
Een rondvraag bij mijn Nederlandstalige kennissenkring leert me al snel dat mijn ervaring niet op zichzelf staat. “Onlangs was ik aan het joggen in Ter Kamerenbos, maar door een loslopende hond viel ik hard op mijn knie. De baasjes gebaarden van niets, dus ik wilde hen erover aanspreken, tot ik hoorde dat ze Franstalig waren. Dan heb ik het er maar bij gelaten”, vertelt een vriend.
De cijfers uit de Taalbarometer, het onderzoek waarmee de VUB al 25 jaar naar de talenkennis peilt van Brusselaars, lijken die trend te bevestigen. Bij de laatste meting in 2024 gaf 81 procent van de Brusselaars aan goed tot uitstekend Frans te kunnen spreken, een daling met 6 procentpunt tegenover de peiling in 2018. Ter vergelijking: in 2001 was dat nog 95 procent.
“Dat wil zeggen dat een op de vijf Brusselaars onvoldoende Frans beheerst”, zegt Esli Struys, hoogleraar toegepaste taalkunde aan de VUB en gespecialiseerd in meertaligheid. “Daar valt niet meteen uit af te leiden dat het allemaal Nederlandstaligen of ingeweken Vlamingen zijn; ook anderstaligen zullen deel uitmaken van die groep. Toch is het opmerkelijk dat de Franse spreekvaardigheid over de hele Brusselse bevolking jaar na jaar afneemt.”
Onvoldoende contacturen
Die cijfers roepen vooral vragen op als je bedenkt dat elke Vlaamse scholier op zijn minst acht jaar verplicht Franse les kreeg. Toch toonde het peilingsonderzoek in 2018 dat slechts een minderheid op het einde van het basisonderwijs nog de eindtermen voor spreken behaalt. Voor lezen ging het om minder dan de helft.
Daar zijn meerdere oorzaken voor. “Frans is in Vlaanderen pas een verplicht vak vanaf het vijfde leerjaar, terwijl het effectiever zou zijn vanaf het eerste leerjaar of zelfs de derde kleuterklas”, zegt Struys. Niet zozeer omdat je een tweede taal op jonge leeftijd automatisch beter opneemt, wel omdat het aantal uren instructie met de taal van tel is. “Oudere leerlingen hebben als voordeel dat ze een taal efficiënter verwerven, maar ze komen simpelweg te weinig uren in contact met Frans”, vervolgt hij. “Over een hele schoolcarrière heb je nu hooguit 600 of 700 lesuren Frans in Vlaanderen, wat weinig is in vergelijking met andere regio's waar leerlingen een tweede taal moeten leren. In de Duitstalige Gemeenschap gaat het om minstens het dubbele, in Luxemburg kloppen ze zelfs af op 2.000 uur.” Om goed te zijn, zouden die uren dus verspreid moeten worden over extra schooljaren, of zouden leerlingen een intensiever taalbad moeten krijgen vanaf het vijfde leerjaar. “Maar het is niet evident om dat in het curriculum te laten passen. Bij welke vakken snoep je dan uren af om ze aan lessen Frans te geven?”
Bovendien wordt er nu beleidsmatig voor gekozen om in de eerste jaren van het basisonderwijs vooral in te zetten op Nederlands, vanuit de vrees dat die tweedetaalverwerving de ontwikkeling van het Nederlands in het gedrang zou brengen. “Dat kunnen we uit onderzoek niet per se bevestigen, maar die bezorgdheid is wel begrijpelijk, zeker in een Brusselse context”, zegt Struys.
Een tweede probleem is de invulling van de les Frans. “Niet alleen de kwantiteit van de instructie is van belang, maar ook de kwaliteit. Er zijn indicaties dat Frans nog steeds vrij traditioneel wordt onderwezen met een sterke focus op woordenschat en grammatica, en minder op spreekvaardigheid”, aldus Struys. “We weten ook dat leerkrachten in het basisonderwijs nog heel weinig Frans spreken in de klas”, vult Elke Peters aan, hoogleraar Toegepaste Taalkunde aan de KU Leuven en gespecialiseerd in taalverwerving. “Dan wordt de blootstelling aan de taal wel erg beperkt, terwijl taalcontact net zo belangrijk is.”
Foreign language anxiety
Volgens haar zijn ook status en motivatie geen onbelangrijke factoren. “Frans heeft intussen een heel andere status dan Engels, dat zeer dominant is in onze leefwereld”, zegt ze. “We komen voortdurend in contact met die taal via popcultuur, media en series, terwijl veel leerlingen buiten de schoolmuren amper nog in contact komen met Frans. Dat maakt de drempel om het te spreken veel hoger.”
"Gebeurt vaak: ik die mijn bestelling in het Frans plaats, waarop de kelner me meteen ontmaskert als 'Flamand' en ostentatief antwoordt in het Engels"
Het is inderdaad een groot contrast, de moeite die het kost om een gesprek te voeren in het Frans en het gemak waarmee conversaties in het Engels vloeien. Het hoeft dan ook weinig te verbazen dat het net die taal is waar velen naar teruggrijpen om zich uit te drukken aan weerszijden van de taalgrens. Zo sprak ik bijvoorbeeld alleen maar Engels met een vriend van een vriend, terwijl ik wist dat hij in feite Franstalig is. Het had een oefenkans kunnen zijn, maar de angst om fouten te maken of me te exposen – of beter: m'exposer – als gebrekkige Franstalige was te groot om de taalkundige drempel te overbruggen.
Een woord dat je ontglipt en de onkunde om in een paar seconden een alternatief te formuleren met dezelfde betekenis, ontaarden immers al snel in een soort halfslachtig Frenglish, maar vooral: stress en schaamte. Dat is een fenomeen dat taalkundigen ook wel foreign language anxiety noemen. “Er zit een heel gevoelsmatige, emotionele component aan spreken in een andere taal”, zegt ook Struys. “Je bent bang om fouten te maken, uit schrik om uitgelachen te worden. Dat geldt zeker in een context met veel native speakers, zoals Brussel.”
Individuele tweetaligheid
Gebeurt minstens even vaak: ik die de moed bij elkaar raap om mijn bestelling in het Frans te plaatsen, waarop de native kelner me meteen ontmaskert als 'Flamand' en ostentatief antwoordt in het Engels. Zélfs als ik het ervoor inoefen met mijn vriend, die wel goed Frans spreekt.
Elke keer opnieuw voel ik mijn zelfvertrouwen en de motivatie om het de volgende keer opnieuw te proberen verder wegzakken. Niet onbegrijpelijk, volgens Peters: “Eigenlijk ontneemt iemand je op dat moment een spreekkans om de taal in te oefenen, wat een negatieve invloed heeft op het leerproces”, zegt ze. “Als je niet kunt oefenen, zal je ook niet beter worden in een taal.” Dat creëert een vicieuze cirkel: al snel ga je elke spreekkans en elke mogelijkheid om in contact te komen met de tweede taal uit de weg.
Met weinig Frans in aanraking komen, is zelfs in Brussel mogelijk, ondervond ik proefondervindelijk. Los van de obligatoire “bonjour” en “par carte, s'il vous-plaît” kun je perfect van Nederlandstalige bars zoals Le Coq of Roskam je stamcafé maken, spinninglessen volgen in het Engels en naar een specialist in Vlaanderen blijven gaan om je medische geschiedenis in je moedertaal te kunnen bespreken.
"Voer gesprekken met AI en laat die analyseren, zodat je uit je fouten leert"
Hoogleraar toegepaste taalkunde (KU Leuven)
Met andere woorden: het is dus perfect mogelijk om je te wentelen in een eentalige bubbel, ook in een tweetalige stad. Struys maakt daarom het onderscheid tussen maatschappelijke en individuele tweetaligheid in Brussel: “Brussel is tweetalig – niet omdat iedereen twee talen spreekt, maar omdat alle instellingen tweetalig zijn. Elke taalgroep heeft eigen scholen, culturele centra, sportverenigingen en bibliotheken, zodat niemand verplicht Frans of Nederlands moet spreken”, zegt hij. “Paradoxaal genoeg kun je door die maatschappelijke tweetaligheid als individu eentalig blijven, omdat alles toch binnen handbereik is in de eigen taal. Dat verklaart meteen waarom de eerste minister-president al jaren burgemeester kon zijn zonder Nederlands goed te begrijpen of te spreken.”
Spreekkansen opzoeken
Toch zijn er ook manieren om uit die eentalige bubbel te treden, en dat doe je vooral door het taalcontact met het Frans te vergroten. Met de klassieke avondcursussen kun je veel opfrissen, maar uit onderzoek blijkt dat het al kan helpen om woordgroepen en vaste zinsdelen te herhalen. “Door die weer in te oefenen, automatiseer je bepaalde vaste talige structuren, waardoor je je weer vlotter leert uitdrukken”, weet Peters. “Ook het journaal in het Frans volgen is een laagdrempelige oefening: door je achtergrondkennis is het vaak relatief eenvoudig om mee te volgen.”
Brussel is de ideale plaats voor zo'n immersie, vult Struys aan: “Er zijn ongetwijfeld Franstalige buren met wie je een praatje kunt slaan, of een expo die je in het Frans kunt bezoeken. Sport je graag? Overweeg dan om je aan te sluiten in een Franstalige club. Probeer vooral te vertrekken uit wat je graag doet, want dan is je motivatie groter om de taal op te pikken.”
Voorts is het vooral een kwestie van praten, praten, praten. De beste oefenkans is er een met andere gesprekspartners, druip dus niet af zodra je Frans hoort, maar spreek en durf fouten te maken, benadrukken de onderzoekers. “Wees assertief genoeg en vraag hen om niet over te schakelen naar het Engels of Nederlands. Je zult fouten maken, maar dat is geen ramp. Geef vooral niet op, dat is heel belangrijk. Ben je daar toch te onzeker voor, probeer het dan online: je kunt tegenwoordig gesprekken voeren met AI en die vervolgens laten analyseren, zodat je leert uit je fouten”, geeft Peters mee.
Het is dus belangrijk dat we niet afglijden in onze eigen Dansaertbubbel, maar de andere taal ook actief opzoeken. Dreigen we anders weldra eentalig te worden? “Daar staan we nog ver vanaf, maar inderdaad, het zou toch jammer zijn als we van meertaligheid naar tweetaligheid zouden evolueren”, aldus Struys. “Historisch gezien hebben Vlamingen als troef dat ze zich goed in meerdere talen kunnen uitdrukken. Het zou een groot verlies zijn mocht Frans daar steeds minder deel van uitmaken. Ook al is er aandacht voor de dalende taalvaardigheid, er is toch een andere aanpak vereist om het tij écht te doen keren.”
Lees meer over: Brussel , Samenleving , meertaligheid , tweetaligheid , eentaligheid , Esli Struys , taalbarometer
Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.