Tien jaar na de aanslagen van 22 maart 2016 blijft radicalisering een probleem dat moeilijk te bestrijden is. Het is een sluipend gif dat online, in gesloten chatgroepen en op gamingfora, jongeren beïnvloedt. Vaak wordt het proces pas opgemerkt als het te laat is, waarschuwen jongerenwerkers.
Radicalisering blijft lastig te bestrijden: 'Scholen zijn onvoldoende voorbereid'
Na de aanslagen in 2016 op Zaventem en Maalbeek bleken verschillende daders teruggekeerde Syriëstrijders die Molenbeek als uitvalsbasis gebruikten. De gemeente kreeg er de internationale stempel van ‘broedplaats voor terroristen’ door.
Vandaag is radicalisering nog steeds een hardnekkig probleem. “De meeste jongeren werden toen gecontacteerd via hun Playstation”, vertelt jeugdwerker bij Foyer Bachir M'Rabet. “Ronselaars proberen een leegte in te vullen. Ze zeggen dat het op school toch niet gaat werken voor hen en dat zij de ‘echte islam’ kennen.”
Voor jongeren van 15 of 16 jaar kan dat werken, aldus M'Rabet. “Ze creëren perspectief waar er daarvoor geen was."
'Te weinig middelen'
Veel jongeren radicaliseren in de luwte en komen pas op de radar van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD) als ze online met geweld dreigen. Sinds covid stijgt het aantal meldingen volgens expertisecentrum Ceapire. Het gaat om jongeren van soms slechts 12 jaar oud die via gamingfora gelokt worden naar besloten chatgroepen.
“Vandaag heeft de lokale politie te weinig middelen om hiervoor online te patrouilleren”, zegt Annelies Pauwels van het Vlaams Vredesinstituut. “Dat kan enkel in het kader van een strafrechtelijk dossier, maar dan zijn er vaak al grenzen overschreden.”
Vroegtijdig ingrijpen in een radicaliseringsproces blijft vandaag erg moeilijk. “Mensen die met jongeren werken, zoals scholen of jeugdbewegingen, weten onvoldoende waar ze op moeten letten”, zegt Youcef Naimi van Ceapire.
Lees meer over: Brussel , Samenleving , 10 jaar na de aanslagen , radicalisering , Jongeren , aanslagen