Menu

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni
Longread

Stad laat middeleeuwse Plebaantoren verloederen

Bettina Hubo
© BRUZZ
12/02/2026

Saskia Vanderstichele

| De Plebaantoren, achterin de tuin van de dekenij

De Plebaantoren, een van de vier resterende torens van de eerste Brusselse stadsomwalling, staat te verkommeren. Eigenaar Stad Brussel kijkt er nauwelijks naar om. Het vorige stadsbestuur bestelde weliswaar een masterplan voor de vier torens, maar dat ligt intussen stof te vergaren.

De ruim achthonderd jaar oude Plebaantoren staat verstopt achterin de tuin van de dekenij van de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal, gelegen in de Wildewoudstraat. Pierre Terlinden, gepensioneerd architect en lid van de kerkfabriek, staat bij de poort te wachten.

Volgens hem maken de kerkfabriek en de dekenij zich al jaren zorgen om de verloedering van de Plebaantoren. “Het is triestig gesteld met dit relict van de oude stadsomwalling”, zucht Terlinden, terwijl hij door de dekenij loopt, naar de steil omhoog hellende tuin.

Al van ver is te zien hoe grote delen van de zandstenen toren overwoekerd zijn door klimop en wilde struiken. De boogvormige opening is helemaal dichtgegroeid en wordt onderstut door oude, houten balken die rusten op een gammel metselwerkje.

Via de smalle houten wenteltrap van het vierkante gebouwtje dat in de zestiende eeuw tegen de toren aan werd gebouwd, gaat het naar boven. De trap is vermolmd en bezaaid met brokstukken van de bepleisterde en met fresco's beschilderde wanden.

Lapje roofing

Boven is er het platform vanwaar de stadswachten in de dertiende eeuw de omgeving in de gaten hielden. Een vergezicht is er vandaag niet meer – de toren kijkt uit op hoogbouw – en de schietgaten zijn opgevuld met dikke losse stenen.

Net als beneden groeien ook hier vlinderstruiken tussen de zandstenen blokken. “De wortels tasten het voegwerk aan, waardoor de blokken losser komen te zitten en er water in de torenmuur sijpelt”, legt Terlinden uit.

Op de rand van de toren werd ooit een lapje roofing gelegd, volgens de architect een voorlopige oplossing om de fragiele en makkelijk afbrokkelende zandsteen nog enigszins te beschermen tegen weer, wind en vervuiling.

In 2017 al stelde hij een technisch verslag op over het voortschrijdende verval van het dertiende-eeuwse bouwwerk. “Ook in de jaren nadien hebben we de slechte staat van de toren regelmatig aangekaart bij de Stad Brussel, die eigenaar is. Op een gegeven moment kwamen er twee Poolse arbeiders. Ze hebben een dag lang wat struiken en wortels weggehaald. Dat was het. Binnen de kortste keren stonden die struiken er opnieuw.”

Is de situatie gevaarlijk? “Dat niet meteen, want er komt amper iemand in de tuin”, zegt Terlinden. Maar hij betreurt dat de Stad haar patrimonium niet beter onderhoudt. “Het is de geschiedenis van Brussel. Er zijn niet veel torens van de eerste omwalling over.”

20260203_ Plebaantoren2

Saskia Vanderstichele

| Architect Pierre Terlinden betreurt dat de Stad haar patrimonium niet beter onderhoudt. "Het is de geschiedenis van Brussel. Er zijn niet veel torens van de eerste omwalling over."

Er zijn inderdaad maar vier waltorens overgebleven van de eerste stadsversterking, gebouwd eind twaalfde, begin dertiende eeuw. Behalve de Plebaantoren zijn dat de Anneessenstoren aan de Keizerslaan, naast de Crosly Bowling, de Villerstoren achter de Sint-Jorisschool, en de Zwarte Toren die, omgeven door het Novotel, achter de Sint-Katelijnekerk ligt.

Oorspronkelijk waren er ruim veertig torens. “De eerste stadsversterking werd wellicht gebouwd op initiatief van Hendrik I, hertog van Brabant. Ze moest de stad, in volle opgang dankzij de lakenindustrie, en haar inwoners beschermen”, vertelt historicus Bram Vannieuwenhuyze. “Het was een dikke, hoge muur, vier kilometer lang, gebouwd op een aarden wal met een flinke gracht eromheen. Om in en uit de stad te kunnen gaan, waren er poorten en om de vijftig meter stond er een wachttoren.”

De torens hadden een hoefijzervormige plattegrond, met een bolle buitenkant en een vlakke, open kant aan de stadszijde. Er waren verschillende verdiepingen, die verbonden waren door een ingenieus trappensysteem. “Alles om het de aanvallers moeilijker en de verdedigers gemakkelijker te maken”, zegt Vannieuwenhuyze.

De eerste omwalling was strategisch aangelegd rond een aantal kernen waar de macht zat. Buurten met veel armoede en arbeiders werden er bewust buiten gehouden.

Bram Vannieuwenhuyze

Historicus

In werkelijkheid werd de omwalling nooit belegerd. “Althans niet door een andere stad of een ander land. Er was begin veertiende eeuw alleen een opstand van textielarbeiders die buiten de poorten woonden.”

Behalve een militaire functie had de eerste stadsmuur ook een symbolische waarde: ze straalde eenheid en macht uit. Vannieuwenhuyze: “Door de geografische afbakening van het grondgebied werd de stedelijke identiteit versterkt.”

Nochtans was het volgens de historicus geen homogene stad. Er waren grote verschillen tussen arm en rijk. “De omwalling was strategisch aangelegd rond een aantal kernen waar de macht zat: de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekerk, de Coudenberg met de burcht van de hertog, de Grote Markt, waar het stadsbestuur zich had gevestigd en enkele economisch belangrijke plekken zoals de Zennehaven. Buurten met veel armoede en arbeiders werden er bewust buiten gehouden, zoals de wijk van de Kapellekerk en een stuk van de Sint-­Katelijnewijk. Die mensen moesten het maar zelf zien te redden."

BRZ 20260211 PlebaanToren2

Saskia Vanderstichele

| De wortels van de wilde struiken die tussen de zandstenen blokken groeien, tasten het voegwerk van de Plebaantoren aan.

Omdat de ommuurde stad al vlug uit haar voegen barstte, werd vanaf 1360 een tweede, ruimere omwalling van acht kilometer gebouwd op de plek van de huidige kleine ring. De Hallepoort is er zowat het monumentale overblijfsel van.

De eerste omwalling werd echter nooit afgebroken. “Het stadsbestuur besloot alles op te delen en in stukjes te verhuren of te verkopen”, legt Vannieuwenhuyze uit. “Burgers of kloosters kochten een stukje muur om er tegenaan te bouwen, elders fungeerde de oude walmuur als perceelsgrens. Sommige natte stukken van de gracht werden verhuurd als visvijver, de droge delen als oefenterrein voor de schuttersgilde.”

Ook de oude verdedigingstorens kregen andere functies. “Er werd een dakje opgezet waarna ze bijvoorbeeld dienstdeden als café of als woning.”De Plebaantoren kreeg zijn huidige naam toen hij begin vijftiende eeuw als deel van een perceel gekocht werd door de plebaan van de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekerk, de voorganger van de deken. Hij bouwde er zijn woonst, de huidige dekenij.

De hele eerste omwalling werd geleidelijk opgeslokt en ingekapseld door andere gebouwen en verdween zo uit het zicht. “Pas in de negentiende eeuw ontdekte men de overblijfselen”, vertelt Vannieuwenhuyze. Dat gebeurde met name bij de werkzaamheden voor de overkapping van de Zenne en de sanering van de omliggende wijken.

Ontbijten naast de oude wal

Een flink deel van het vergeten erfgoed moest plaats ruimen, maar er zijn volgens Vannieuwenhuyze toch wat restanten, vooral van de muur. “Vaak zijn ze verborgen in privégebouwen, kelders of tuinen. Zo ontbijt je in het Atlashotel op de Oude Graanmarkt naast een stukje van de oude wal.”

Ook bleven er vier torens bewaard, al scheelde het soms niet veel of ze waren met de grond gelijk gemaakt. Zo werd de Zwarte Toren eind negentiende eeuw door burgemeester Karel Buls in eigen persoon gered van de sloop. Buls liet de toren, die deel van een café was geworden en volledig ingekapseld zat in andere huizen, vrijmaken en restaureren.

De Anneessenstoren overleefde vorige eeuw op het nippertje de aanleg van de noord-zuidverbinding en de Villerstoren was bijna afgebroken bij de uitbreidingswerken van de nabijgelegen school. Beide torens werden in de jaren vijftig en zestig blootgelegd en gerestaureerd onder impuls van toenmalig stadsarchitect Jean Rombaux.

De Anneessenstoren kreeg enkele jaren geleden een nieuwe opknapbeurt en de Villerstoren staat onder toezicht sinds de aansluitende walmuur achter de Sint-Jorisschool in 2018 plots instortte. Er is nog altijd een gapend gat, dat aantoont dat de stoere stadsomwalling ook fragiel is. Het proces over de aansprakelijkheid voor de instorting sleept aan, en of en hoe de muur weer zal worden opgebouwd blijft onduidelijk.

Beschermd monument

Met de aandacht voor de Plebaantoren, net als de andere drie eigendommen van de Stad Brussel en erkend als beschermd monument, is het anders gesteld. Dat heeft volgens archeoloog Michel Fourny van de Koninklijke Maatschappij voor Archeologie van Brussel deels te maken met de zichtbaarheid van het bouwwerk.

Zowel de Zwarte Toren als de Anneessens- en de Villerstoren staan vrij en zijn door het publiek te bewonderen als archeologisch object, ook al hangt er nergens een informatiebordje.

De Plebaantoren daarentegen ligt verborgen in de tuin van de dekenij en is van op de straat niet te zien. Of nauwelijks. Sinds 2013 kunnen passanten van op de Treurenberg een glimp opvangen van de bolle buitenzijde van de toren en de aanpalende walmuur, met dank aan de bank Axa die, toen zij aan de achterzijde een nieuwbouw neerzette, niet meer vlak tegen de omwalling aanbouwde, maar een opening van enkele meters liet en in één beweging de muur (maar niet de toren) restaureerde.

Een echt goed zicht heb je echter niet en de toren is dan ook amper bekend bij het publiek. “Wat je niet ziet, wordt vergeten”, zegt Fourny. “Daar houdt men geen rekening mee.”

20260203_Anneessenstoren

Saskia Vanderstichele

| De Anneessenstoren aan de Keizerslaan overleefde maar op het nippertje de aanleg van de noord-zuidverbinding.

Schuiloord voor vogeltjes

Nochtans bestelde het vorige stadsbestuur in 2021 een masterplan om de vier middeleeuwse torens, dus ook de Plebaan, beter tot hun recht te laten komen in de stad. Het plan werd opgemaakt door Archistory, een vzw van architectuurhistorici

“Wij hebben de bouwkundige staat van de vier bouwwerken in kaart gebracht en ook voorgesteld om een link te creëren, niet alleen tussen de vier torens van de eerste omwalling, maar ook met de Hallepoort”, legt Cristina Marchi van Archistory uit. “De torens van de eerste stadsversterking zijn immers niet uitgerust om publiek te ontvangen. De Hallepoort wel, er zijn suppoosten, er zijn toiletten, er is verwarming. Ons idee is dus om vanuit de Hallepoort, als centrale punt, het verhaal van de stadsomwalling te vertellen.”

Ook de vzw stelde vast dat de Plebaan­toren in slechte staat verkeert en onderhoud ontbeert. “Het zou goed zijn dat de toren, net als de andere drie, een functie krijgt. Gebouwen zonder functie, waar nooit iemand passeert en een papiertje opraapt, verloederen”, zegt Marchi.

“Neem de Zwarte Toren. De achterkant is verworden tot een soort publiek toilet voor daklozen. Het hotel, dat er recht op uitkijkt, heeft inmiddels gordijnen opgehangen voor de grote ramen. De uitbater zou niet liever willen dan dat de Stad het beheer van de toren in handen neemt.”

De vier torens en stukken muur zijn zowat de enige overblijvende getuigen van wat de stad 800 jaar geleden was. Daar draag je zorg voor.

Roel Jacobs

Schrijver-historicus

Roel Jacobs 03 BRUZZ ACTUA 1670

Archistory deed alvast enkele voorstellen. “Eenvoudige, realistische voorstellen die weinig kosten, want er is weinig geld”, zegt Marchi.” De Plebaantoren zou een schuiloord voor vogeltjes en vleermuizen kunnen zijn. En met het akkoord van de dekenij zouden bijvoorbeeld blinde en dove kinderen er enkele keren per jaar kunnen langsgaan om er in alle rust en veiligheid te luisteren en te kijken. De Villerstoren zou dan weer door scholen of bibliotheken gebruikt kunnen worden voor zomerse voorleessessies. Er zijn veel organisaties op zoek naar zo'n plek.”

Stilte bij het stadsbestuur

De vzw diende het masterplan in 2023 in bij het stadsbestuur. Het werd volgens Marchi positief ontvangen door het schepencollege, maar daarna bleef het stil.
Vandaag is het nog steeds heel stil aan de kant van de Stad. Ondanks herhaaldelijk aandringen bij het kabinet van schepen voor Openbaar Patrimonium Florence Frelinx (MR) was niemand bereid om antwoord te geven op de vraag wat er met het masterplan gebeurt en of de Plebaantoren weldra opgeknapt wordt.

Ook het Gewest, eveneens bevoegd voor Erfgoed, neemt vooralsnog geen initiatief. “Het is aan de Stad, die eigenaar is, om de Plebaantoren te onderhouden en er een toekomst aan te geven”, meldt het kabinet van staatssecretaris Ans Persoons (Vooruit). “Maar als er een renovatieplan is, kan de Stad wel steun van het Gewest krijgen.”

Intussen zijn historici en liefhebbers van archeologisch erfgoed bezorgd en ook verontwaardigd. Of zoals schrijver-historicus Roel Jacobs het uitdrukt: “Die vier torens en stukken muur zijn zowat de enige overblijvende getuigen van wat de stad 800 jaar geleden was. Daar draag je zorg voor.”

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

Lees meer over: Brussel-Stad , Samenleving , plebaantoren , stadsomwalling , Bram Vannieuwenhuyze , Roel Jacobs