Menu

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni

Federaal procureur Ann Fransen was in 2016 hoofd van de sectie terrorisme bij het federaal parket: "Vandaag is de dreiging helemaal anders dan tien jaar geleden."

Interview

Vooral 's avonds dwalen gedachten van Ann Fransen af naar aanslagen: 'Zoeken naar nuance'

An Missotten, Nordin Sermant
© BRUZZ
20/03/2026

Tien jaar na de aanslagen in Zaventem en in Maalbeek blikt BRUZZ terug op de impact en de nasleep van 22 maart. Vandaag: federaal procureur Ann Fransen, destijds hoofd van de sectie terrorisme bij het federaal parket. “Soms kan ik de slaap niet vatten en waan ik me terug in de luchthaven.”

Voor haar aantreden als procureur bij het federaal parket in 2024, stond Ann Fransen (56) zeventien jaar lang aan het roer van de sectie terrorisme. Daar boog ze zich met de nodige discretie en ongekende drive over de meest stevige terreurdossiers.

Zo was Fransen onder meer aanklager in het proces rond Sharia4Belgium en werkte ze van dichtbij mee aan het onderzoek over de aanslagen in Parijs uit 2015. Maar het zijn vooral de terreurdaden in Zaventem en Brussel die haar bijblijven.

Fransen was thuis toen ze in de ochtend van 22 maart 2016 werd opgebeld door toenmalig federaal procureur Frédéric Van Leeuw, met de melding dat er twee explosies waren geweest in de luchthaven. Enkele tellen later zat ze al in de wagen van de procureur van het parket Halle-Vilvoorde, onderweg naar de onheilsplek.

Wat trof u aan toen u daar aankwam?

ANN FRANSEN: Het was de bedoeling dat ik me zo snel mogelijk naar het commandocentrum begaf om de leiding te nemen over het onderzoek. Daarvoor moest ik me een weg banen langs de parking, waar al meerdere gewonden lagen.

Binnen leek het alsof ik in een oorlogsscene terechtkwam. Ik trof er nog andere slachtoffers aan, de infrastructuur leek uit elkaar gereten door de ontploffingen. Rondom mij lagen honderden bouten en metaalfragmenten verspreid.

Wat ging er op dat moment door u heen?

FRANSEN: Ondanks de tragedie moet je de knop op zo’n moment omdraaien. Ik ging in automatische piloot en dacht enkel aan de taken die me te wachten stonden: onderzoeken wat er zich precies heeft voorgedaan, wie de daders zijn, waar ze zich bevinden en of er nog andere dreigingen kunnen volgen.

Hoe verliep het onderzoek die dag?

FRANSEN: Ik riep eerst alle betrokken veiligheids-en politiediensten bijeen voor een eerste stand van zaken. Zo konden we onze prioriteiten vastleggen en toch een beetje orde in de chaos scheppen. We ontvingen immers doorlopend tientallen meldingen van mensen die de mogelijke daders hadden gezien. Sommigen hadden hen in een Audi zien stappen, anderen stelden dan weer dat ze op een vliegtuig richting Spanje waren gestapt. Het was heel moeilijk om vanuit dat kluwen van informatie de juiste pistes uit te stippelen.

Een van de belangrijkste getuigenissen kwam van een taxichauffeur. Hij had de drie daders vervoerd en achteraf aan de politie gemeld dat hun reiskoffers een verdachte geur verspreiden. Hij had een nummer en een adres van een van de verdachten, waarop ik meteen besloot om een onderzoeksrechter aan te stellen. Dat was nodig om telefoontaps uit te kunnen voeren. Er is toen ook een huiszoeking gebeurd.

Nadien bleef ik ter plaatse om de coördinatie in goede banen te leiden en de onderzoeksrechter in Brussel te informeren, zodat hij de juiste beslissingen kon nemen. Tegelijk onderhield ik contact met de administratieve overheden, zoals de gouverneur die ter plaatse was. Er moesten immers ook beslissingen genomen worden die buiten onze bevoegdheden lagen.

U stond 17 jaar aan het hoofd van de sectie terrorisme. Kwamen de aanslagen geheel onverwacht?

FRANSEN: Neen, het werd niet volledig uitgesloten. We voerden toen onderzoek naar de aanslagen in Parijs, aangezien meerdere daders uit België kwamen. Dat wees snel uit dat er meerdere betrokkenen waren die bijvoorbeeld een logistieke rol vervulden of appartementen zochten. Hen hadden we op dat moment nog niet allemaal geïdentificeerd of gelokaliseerd.

We wisten ook via een foreign terrorist fighter die teruggekeerd was naar Frankrijk, dat IS commando’s richting Europa stuurde om aanslagen te plegen. En dan was er nog de schietpartij in Vorst op 15 maart 2016, toen drie terreurverdachten het vuur openden op de politie in een huis in de Driesstraat. Een onder hen overleed ter plaatse, twee konden ontsnappen. Wanneer je dan gebeld wordt op 22 maart vallen bepaalde puzzelstukken wel samen, hoewel het uiteraard wel een enorme schok bleef.

2026-03-20-Ann Fransen

Belga

| Ann Fransen op weg naar een bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad.

Voelde u ontgoocheling achteraf?

FRANSEN: Het is onze taak om aanslagen te verijdelen. Krijgen we informatie over een mogelijke poging, dan zullen we er alles aan doen om dat te voorkomen. Slaag je er dan toch niet in, dan voelt dat aan als een soort mislukking.

Langs de andere kant heb je wel goede en concrete info nodig, over iemands identiteit bijvoorbeeld, verblijfsadressen, telefoonnummers en andere betrokken personen. Maar op dat moment beschikten we daar niet over.

In de parlementaire onderzoekscommissie die nadien volgde, gaf u wel aan dat het een gemiste kans was dat de broers Abdeslam niet eerder werden onderschept?

FRANSEN: Die dossiers zijn indertijd bij onze sectie geseponeerd. De redenen waarom heb ik tijdens de commissie zo goed mogelijk proberen uitleggen. In beide gevallen waren er geen concrete elementen meer om verder onderzoek te voeren. De broers waren toen ook maar een van de zovele dossiers die bij ons op tafel lagen.

Een had de wens uitgedrukt om naar Syrië te trekken, maar deed dat uiteindelijk niet. En ook al was hij bevriend met mensen die wel afreisden, het uitdrukken van een wens is niet strafbaar.

Van de andere broer hadden we wel info verkregen dat hij naar Syrië was vetrokken. Een paar dagen later stond hij evenwel terug in Brussel. Hij verklaarde aan de politie dat hij gewoon op vakantie in Istanbul was geweest. Aangezien Foreign Terrorist Fighters doorgaans maanden of zelfs jaren in het land verbleven, werd zijn verklaring aangenomen.

Helaas bleek hij achteraf wel in Syrië te zijn geweest en had hij op die paar dagen tijd een militaire opleiding gekregen. Maar ik kan niet zeggen dat we een verkeerde inschatting hebben gemaakt. We hebben toen ons werk gedaan op basis van de info die we ter beschikking hadden. Na de seponeringen ontvingen we geen bruikbare tips meer om de dossiers te heropenen.

Hoe groot schat u dat kans in dat aanslagen zoals in 2016 zich opnieuw zullen voordoen?

FRANSEN: Ik waag me liever niet aan kansberekening, maar ik durf er wel van uit te gaan dat aanslagen van die orde zich niet snel zullen herhalen. Vergeleken met tien jaar geleden staat IS veel zwakker. Het kalifaat is gevallen. We zien geen grote, georganiseerde structuren meer die commando’s richting Europa sturen. Nu gaat het eerder om kleine cellen of individuen.

Toch opende het federaal parket 94 terreurdossiers in 2025?

FRANSEN Klopt, en in 90 gevallen ging het om jihadistische motieven. Maar het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen pakweg de verspreiding van propaganda en de voorbereiding van een aanslag. Er is slechts sprake van een beperkt aantal dossiers die over dat laatste handelen.

We zien wel dat de propagandamachine nooit echt is stilgevallen. Er doen nog steeds IS-boodschappen van tien jaar geleden de ronde, soms in gerecycleerd formaat. Al die zaken worden online verspreid, wat het moeilijk maakt om het fenomeen aan banden te leggen.

Wat maakt mensen vatbaar voor radicalisme?

FRANSEN Vanuit mijn ervaring, en zeker wat jongeren betreft, gaat het vaak om mensen die op zoek zijn naar een eigen identiteit en veel mislukkingen kenden. Ik herinner me een jongeman uit het Sharia4Belgium-proces die 13 keer na elkaar werd afgewezen voor een job. Of iemand die door medische problemen een beloftevolle voetbalcarrière in rook zag opgaan. Zulke ervaringen zijn geen vrijgeleide voor radicalisering, maar kunnen wel een invloed uitoefenen.

Daarnaast kunnen geopolitieke situaties een triggerende rol spelen. Dat was het geval bij de man die in oktober 2023 twee Zweedse supporters doodde en een derde verwondde. In de dagen voordien was er in Zweden een Koran verbrand.

Radicalisering gebeurt tegenwoordig ook minder in de omgeving, maar meer online. We moeten de mensen, en in het bijzonder de jeugd, meer weerbaar maken. We moeten meer aandacht besteden aan het uitleggen van complexe situaties, en dat er tussen uitersten heel wat nuance schuilgaat.

2026-03-20-Ann Fransen

Sebastiaan Buts, Openbaar Ministerie.

| Ann Fransen tijdens de ceremonie van de Légion d'honneur.

Wat is er sinds de aanslagen intussen veranderd bij justitie en politie?

FRANSEN: In het geval van aanslagen kunnen procureurs telefoontaps aanbevelen zonder dat er eerst een onderzoeksrechter gevorderd moet worden. Er kunnen nachtelijke huiszoekingen uitgevoerd worden en de voorbereidingshandelingen voor een aanslag zijn tegenwoordig ook strafbaar. Dat was tien jaar geleden niet het geval.

De federale gerechtelijke politie beschikt nu over voldoende capaciteit om de terreurdossiers te behandelen. In de jaren voor de aanslagen was dat moeilijker. Ik herinner me de periode waarin er niet genoeg speurders waren om alle personen die naar Syrië waren vertrokken, op te volgen.

Op het vlak van radicalisering worden risicoprofielen nu gemonitord binnen local task forces, waar onder meer politie-en inlichtingendiensten deel van uitmaken. Verder zijn er ook preventieve diensten die bekijken hoe iemand gederadicaliseerd kan worden, los van het gerecht.

Is er ook voldoende gebeurd voor de slachtoffers? Zij uitten vaak kritiek op de begeleiding die ze kregen.

FRANSEN: Ik vond het toen wel een goede beslissing van de federale procureur om het luik slachtoffers te scheiden van het onderzoek. Na de aanslagen is er onmiddellijk een nationale slachtoffercel ingericht. Onze bevoegdheid was het voorzien van juridische begeleiding tijdens het onderzoek of voor de teruggave van persoonlijke bezittingen bijvoorbeeld, of het inkijken van bepaalde beelden. We hebben toen ook veel tijd besteed aan het informeren van de slachtoffers.

Dat ging evenwel enkel om onze specifieke taken. En vanuit hun standpunt begrijp ik wel dat er soms frustratie was. De identificatie van de dodelijke slachtoffers bijvoorbeeld: technisch gezien verliep die vrij snel, maar voor nabestaanden moet het vreselijk geweest zijn om meerdere dagen niet te weten wat hun geliefden is overkomen.

Ik herinner me ook een man die me vertelde dat hij nog dagelijks moest vechten om aan te tonen dat zijn letsels een gevolg van de aanslagen zijn. Bij ontploffingen op die schaal gebeurt het soms dat sommige sporen pas jaren later zichtbaar worden. Voor zulke situaties is er zeker nog werk voor de boeg.

Hebben u en uw collega’s eigenlijk begeleiding gekregen nadien?

FRANSEN: Neen. Er was een dienst van de politie waar we terechtkonden, maar dat was het zowat. We hebben het elk op onze eigen manier moeten verwerken. Bij sommigen lukte dat beter dan bij anderen. Een paar collega’s zijn vertrokken. Gelukkig is dat nu veranderd en hebben we recht op tien sessies bij de psycholoog.

Heeft u die dag intussen een plaats kunnen geven, tien jaar later?

FRANSEN: 22 maart 2016 zal voor de rest van mijn leven in mijn geheugen gegrift staan. Het moment waarop je de namen en gezichten van de slachtoffers en hun verhalen te weten komt, dat viel heel zwaar. Ik voelde enorm veel medeleven, verdriet en boosheid. En kwetsbaarheid ook, want het had iedereen van ons kunnen overkomen.

Intussen heb ik het een plaats kunnen geven. Maar regelmatig komen de herinneringen opnieuw bovendrijven. Zeker de voorbije periode, nu het bijna tien jaar geleden is. Het gebeurt wel eens dat ik ’s avonds de slaap niet kan vatten, en me terug in de luchthaven waan.

Het werk dat u verricht heeft, werd wel geapprecieerd. Eind vorig jaar nog werd u opgenomen in het Franse Légion d’honneur, een van de hoogst mogelijke onderscheidingen.

FRANSEN: Ik was echt verrast. Het is een enorme bekroning. Al beschouw ik het niet als een persoonlijke verdienste, maar van het hele team, en van de verschillende diensten die de voorbije jaren een uitzonderlijke mate van inzet en solidariteit toonden. Ik draag hen allen een warm hart toe.

Nog een afsluitende vraag: gaat u zondag naar de herdenkingen?

FRANSEN: Ja. De voorbije jaren ben ik meermaals geweest. Voor mij is dat heel belangrijk, zeker voor de slachtoffers. Ik wil tonen dat we er voor hen zijn en dat we hen willen ondersteunen waar nodig. Intussen heb ik meerdere contacten gelegd met overlevenden en nabestaanden. Zondag is een goede gelegenheid om te zien hoe ze het stellen.

Ik bereid me alvast voor op een moeilijke en emotionele dag. Maar de warmte en solidariteit die op zulke momenten aanwezig zijn, maakt ons alleen maar sterker met het oog op de toekomst. En dat bevestigt nog maar eens waarvoor we ons werk doen.

10 jaar na de aanslagen

Op 22 maart is het tien jaar geleden dat ons land in 2016 werd opgeschrikt door aanslagen in de vertrekhal van Brussels Airport en in metrostation Maalbeek.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

Lees meer over: Brussel , Veiligheid , 10 jaar na de aanslagen , federaal parket , Ann Fransen , aanslagen zaventem