interview

'De Brusselse realisten schreven met een duizelingwekkende schoonheid'

© Saskia Vanderstichele
| Joseph Van Wassenhove. Een groot deel van het negentiende-eeuwse Brussel moest eraan geloven met de overwelving van de Zenne in de Vijfhoek. Op sommige plekken zijn nog restanten, zoals deze impasse.

Het Brussel van de negentiende eeuw was er een van een ziekmakende, kolkende Zenne, maar ook een van riante wijken in de hoge stad met een groeiende bourgeoisie die opkeek naar Parijs. Joseph Van Wassenhove schreef er een indringend boek over. “Ja, dit boek is ook een ode aan de Franse taal.”

Joseph Van Wassenhove (83) kan terugkijken op een mooi gevuld leven, al was zijn prille jeugd mee bepaald door de twee wereldoorlogen die de twintigste eeuw teisterden. Hij is afkomstig uit Ieper maar ging aan het begin van de Tweede Wereldoorlog op de boerderij van zijn grootouders wonen in de buurt van Auxerre in Frankrijk. Ze waren uit Langemark weggegaan en naar Frankrijk getrokken met paard en kar en de hele veestapel. De streek was er, verwoest door de Eerste Wereldoorlog, niet langer geschikt voor de landbouw. “Een fantastische jeugd heb ik er gehad,” zegt Van Wassenhove. “Door omstandigheden woonden we in het kasteel van Saint-Fargeau. Dat zijn prachtige herinneringen.”

Van Wassenhove noemt zich “un parfait bilingue”: Frans en West-Vlaams. Daarmee doet hij zichzelf oneer aan. Hij studeerde af als romanist aan de toenmalige Université Catholique de Louvain in Leuven en bouwde nadien een carrière op als docent aan de Vlekho, de tolkenschool in Antwerpen. Hij was ook tolk in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Vandaag, op zijn 83e, is hij nog altijd tolk in het Brussels Parlement. “Ik moet kunnen werken,” zegt hij, “en mensen zien.”

Maar Van Wassenhove had al die tijd een oude passie, die gewekt was in zijn studententijd. Onder impuls van de befaamde romanist, professor Joseph Hanse (1902-1992), was hij voor zijn licentiaatsthesis in de jaren 1950 de Franstalige Belgische realisten gaan lezen. Hij schreef er een omvangrijk werkstuk over waar hij hoge ogen mee gooide. Het had een doctoraat kunnen worden maar de geschiedenis besliste er anders over, en hij ging lesgeven.

Pas op zijn oude dag ging hij met zijn manuscript aan de slag. “Ik ben die oude schrijvers weer gaan lezen. Zij hebben heel veel over Brussel geschreven. Dat heb ik verzameld in een boek. Het geeft een heel realistisch beeld van de stad. Want dat is wat die schrijvers deden: ver weg van de romantiek, de stad beschreven zoals ze er bijlag.”

CHRONIQUEURS
Van Wassenhoves boek, getiteld La ville vue par des écrivains du XIXe siècle, meteen ook een eerbetoon aan schrijvers als Camille Lemonnier (1844-1913) of Marguerite Van de Wiele (1859-1941), die in de vergetelheid zijn geraakt. “Ik heb nooit begrepen waarom. Het proza dat zij gebruiken (leest enkele fragmenten voor) is van een duizelingwekkende schoonheid, met een woordenschat die fabuleus is. Ik ben af en toe in de Littré (groot woordenboek van de Franse taal, red.) moeten gaan kijken om te zien of Lemonnier bijvoorbeeld niet gewoon woorden aan het uitvinden was.”

Van Wassenhove heeft wel een hypothese waarom Franstalige Belgische realisten als Camille Lemonnier nooit dezelfde renommee hebben gekregen als een Zola, een Flaubert of een Daudet. Dat was eigenlijk al zo in de periode dat ze publiceerden. “Ze kregen hun manuscripten niet aan de man, dus werden ze chroniqueur. De Franse auteurs werden wél uitgegeven. Vaak zonder auteursrechten. Maar waarom floreerde de Franstalige Belgische literatuur niet? Misschien komt dat ook wel omdat de Brusselaar niet echt een lezer was. Wat kenmerkte de Brusselaar wel in die periode? Hij liet zich graag zien. Hij flaneerde graag in de parken, zij maakte zich graag mooi. En waar kon je meer pronken dan in de theaters? Die waren wel in volle bloei.”

Het moet gezegd: de beschrijvingen die Van Wassenhove in zijn anthologie ten berde brengt, zijn van het meest treffende Franse proza dat over Brussel is geschreven. En aangezien de geciteerde auteurs nu eenmaal realisten waren, spaarden ze de lelijke kantjes van Brussel niet. Zeker niet als het over de middeleeuwse straatjes ging nog voor de Zenne was overwelfd. “Les masures de ces quartiers sont de véritables repaires de voleurs, de receleurs... ,” schreef Caroline Gravière (1821-1878). “On n'aura pas grande peine à démolir; tout ça branle, tout ça est vermoulu, tou ça est pourri, tout ça croule; une vraie mâchoire de veille femme. Foyer de rhumatisme et typhus – demeure de rats – sépulchre de charognes – et cette eau se brasse, se vend se boit.”

Dat het Zennewater gebruikt werd om het befaamde Brusselse bier te brouwen, was ook de illustere schrijver Charles Baudelaire opgevallen, die toen in Brussel woonde. Al was hij in dezen iets prozaïscher: 'La ville boit son urine!' riep hij uit.Van Wassenhove: “Brussel was een liberale stad, waar vrijdenkers werden getolereerd. Ook een stad waar het goedkoop wonen was. Dat lokte vele Franse schrijvers: Victor Hugo, Paul Verlaine, Charles Baudelaire, Gérard de Nerval. Ze waren niet allemaal zo negatief, hoor. Ze hielden wel van Brussel. En van Baudelaire moet je weten dat hij hier wat mistroostig rondliep. Hij kreeg zijn manuscripten niet gepubliceerd en moest de boer op met conferenties, maar die trokken nauwelijks volk. Op de koop toe was hij ziek. Het verklaart wellicht zijn negatieve kijk. Alleen voor de kerken in Brussel was hij vol bewondering.”

BRUXELLISATION
Maar die ziekmakende Zenne werd langzamerhand een hygiënisch schandaal. En burgemeester Jules Anspach besliste dat het genoeg geweest was: een deel van het middeleeuwse Brussel werd met de grond gelijkgemaakt om de Zenne te kunnen overwelven. Ook hier kwam Parijs weer om de hoek loeren. In ware Haussmann-stijl werden de centrale lanen aangelegd. Maar de toenmalige schrijvers vonden er niets aan. De Franse schrijvers die naar Brussel kwamen vonden dat de gevels, waarvoor tussen 1870 en 1880 nochtans wedstrijden waren uitgeschreven, getuigden van slechte smaak. Het Beursgebouw? “Je me détourne,” schreef Verlaine.

De Brusselse schrijvers, zoals Camille Lemonnier, betreurden dan weer dat de middeleeuwse stad langs de Zenne vervangen werd door een protserige bourgeoiswijk met een amalgaam aan stijlen. Brussel probeerde het provincialisme van zich af te schudden, op zoek naar de stedelijkheid en met Parijs als voorbeeld, maar, zo getuigen de schrijvers, dat lukte maar matig.

Uiteindelijk toont het boek van Van Wassenhove dat de geschiedenis zich, alle verhoudingen in acht genomen, herhaalt. De bruxellisation was er ook al in de negentiende eeuw. De stadsvlucht van toen kende soortgelijke oorzaken als vandaag. Er waren arme en rijke wijken die weinig met elkaar te maken hadden, en de spanning tussen de burgerlijkheid en het kosmopolitisme was er even sterk als vandaag.

Wassenhove_Bruxelles_boek

BRUXELLES: LA VIE VUE PAR DES ÉCRIVAINS DU XIXe SIÈCLE
Joseph Van Wassenhove, Edition Samsa, 2020

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees meer over

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?