column

Arno Boey: ‘In deze stad heeft elk huisje zijn kruisje, en zijn eigen woordenschat’

Drie weken lang deelt een Brusselse creatieveling zijn/haar/hun kijk op de wereld. Arno Boey is woordkunstenaar (collectief ZINK) en verhalencartograaf (1020stories.be, met Yelena Schmitz) met een fascinatie voor dans en beweging.

“Meester, telt het Frederlands ook als taal?”
Ik sta in een krap klaslokaal van een basisschool in hartje Brussel. Het is dag één van de workshop waarin de leerlingen verhalen mogen verzinnen in hun moedertaal. Op het bord schrijven ze welke talen ze thuis spreken.
“Het wat?”
“Het Fre-der-lands. Dat is wat we hier op de speelplaats spreken.”

Frederlands dus: een hyperlokaal dialect gesproken door deze klasgroep. Een samentrekking van Frans en Nederlands, gespekt met woordjes Arabisch en Spaans. “En een beetje Japans,” vult een andere leerling aan, “Sayounara!”

Op het bord verschijnen vijftien verschillende talen: Nederlands, Frans en Engels, maar ook Spaans, Urdu, Pular, Vietnamees, Lingala, Malinke en een handvol Arabische dialecten. Veel voor een klas van twintig kinderen, maar slechts een fractie van alle gesproken talen in Brussel. In deze stad heeft elk huisje niet alleen zijn kruisje, maar ook zijn eigen woordenschat.

De grote meertaligheid die in de huizen en straten klinkt, verstomt eenmaal binnen de schoolmuren. In deze school is het Nederlands de regel en wordt het Frederlands stiekem verhandeld. Zo ging het ook in mijn lagere school. Ik was een van de vele kinderen die thuis verschillende talen hoorden. Aan de schoolpoort slikten we ze in en werden voorzichtig. Want wie geen Nederlands sprak, kreeg de zogezegde 'taalbon'. Drie keer raak was nablijven. “Hier spreekt men Nederlands” was een geplastificeerd bordje aan de muur, een opmerking van de juf, een nota door de directeur.

Het Nederlands was niet heel populair op mijn school. Het ging verloren aan de hardheid van zijn klanken en de ijzeren hand die ons deed spreken. We wilden er niet van weten. Of toch niet helemaal. Want hoewel het een gevoelloze taal leek, was het ook de taal van mijn moeder, de taal waarin ze huilde, me in slaap wiegde of troostte. Het was de taal van mijn grootmoeder, een vrouw naar wie ik opkeek. Noem het verzachtende omstandigheden, maar het werd ook mijn taal. Voor veel klasgenoten daarentegen was het Nederlands uitsluitend de taal van een boze juf.

Nu ik zoveel jaren later voor deze ketjes sta, vraag ik me af hoeveel dat beleid ons heeft opgeleverd. Is de kennis van het Nederlands toegenomen? Is de populariteit ervan gestegen? Is de taal er mooier op geworden?

Ik weet het niet, maar bij deze leerlingen rolt het Nederlands er alleszins stroef en met tegenzin uit. Ze hebben vanochtend hun thuistalen aan de schoolpoort gelaten en daarmee ook een stukje van zichzelf.

Tegen de middag vertel ik dat ze verhalen mogen delen in de taal die ze het liefste spreken. Het is weinig, slechts een korte zin van mijn kant, maar er gebeurt zoveel, alsof ik een raam heb opengezet en de stadslucht ons gulzig wakker maakt. De klas wordt gevuld met verhalen die rinkelen van ritmes en klanken die ik niet ken, maar toch lijk te begrijpen. De leerlingen schakelen met gemak tussen talen. Ze spreken ongedwongen en vertalen voor elkaar. En zo, zonder het zelf goed te beseffen, spreekt men hier toch Nederlands.

Meer nieuws uit Brussel

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?