column

Arno Boey: 'Een zwemmer is een ruiter'

L'écrivain Arno Boey

Drie weken na elkaar deelt een creatieve Brusselaar zijn/haar/hun kijk op de werekd. Arno Boey is woordkunstenaar (collectif ZINK) en cartograaf van verhalen (1020stories.be) met een bijzondere interesse in dans.

De badmeester mat nog een laatste keer de chloorwaarden. Hij stak zijn duim op en gaf het startschot. Enkele politici sprongen zonder aarzelen in het water. Voor het oog van de camera begonnen ze een waterballet op te voeren. Ze trappelden ter plaatse, haalden adem en gingen kopje onder, er verschenen benen in de lucht. Ze zwommen een reeks figuren, ik zag een piramide en een iris en de bollen van het Atomium. Ze gleden langs elkaar heen, hun badmutsen in apolitieke kleuren. Ze maakten van hun monden fonteintjes en spuwden water in alle richtingen.

Het was de eerste dag van het openluchtzwembad aan de Pierre Marchantbrug en ik dagdroomde feestelijk. Na zoveel jaar konden we weer buiten zwemmen. Ik was niet als schrijver of journalist afgezakt, laat staan om er mijn politieke verdiensten te verzilveren. Ik was zwemmer. Weerloos en uitgekleed wachtte ik in de rij tot de hoogwaardigheidsbekleders hun exclusieve zwemuurtje hadden afgerond. Een journaliste kwam naast mij staan en doorprikte mijn droom met een vraag over Brusselse jongeren en zomerse gemoederen. De vraag was niet bijster open en terwijl ik een antwoord probeerde verzinnen, klonk het fluitsignaal van de badmeester. Ik werd gered: we mochten het zwembad betreden.

Ik dook het koude water in en het geluid veranderde. Eerst nog de spetters als duizend kristallen die op een gespannen zeil dansen en dan, een fractie van een seconde later, de onderwaterwereld. Donker en doffer en zachter. De stemmen verstomden daar en vervormden tot een aangename ruis. Toen ik bovenkwam, werden de camera’s weer ingepakt en hesen de politici zich uit hun badpakjes. Ze keerden terug naar hun kabinetten en lieten ons achter in het bassin.

Wij, de zwemmers. De ouders die hun kinderen leerden zwemmen, de vrouwen met de strandbal, de man die thuis geen bad had, de jongeren die kwamen bijpraten, het verlegen meisje aan de rand. En ik die tussen hen in mijn baantjes trok.

Na tien baantjes ademde ik een ritme, na dertig werd ik kort moe, na veertig ging het als vanzelf en daarna zwom ik de rust tegemoet. Wanneer ik zwem sta ik mijn lichaam even af. Ik geef mijn hoofd aan het water. Ik zwem en trek mezelf voort, ik word gewichtloos gedragen. Ik stel een vraag aan het water en alles wordt vloeibaar. Mijn gedachten weken zich los en worden hier bewaard. Ze staan in het water geschreven.

Ik kom boven en schud wat druppels uit mijn zwembril en denk aan de journaliste. Is dat wat we hier komen doen: onze gemoederen afkoelen, onze lontjes blussen? Wij, de zwemmers van Brussel. Wij, de mensen die naar water zoeken. We trekken baantjes en lossen op. We houden onze adem in. Wanneer we op onze rug drijven zijn we eindeloos vrij.

Ik duw me af en maak snelheid. De dichter Paul Snoek vergeleek de zwemmer met een ruiter: Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water./ Want in het water adem ik water, in het water/ word ik een schepper die zijn schepping omhelst,/ en in het water kan men nooit geheel alleen zijn/ en toch nog eenzaam blijven./ Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn. En daar heeft niemand iets over te zeggen.

Lees meer over
Meer nieuws uit Brussel

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?