portret

Barman Atlantis van Ardoewaan: afscheid van een monument

De legendarische barman Atlantis van Ardoewaan in 2005 achter de toog van Café Dada.© Ivan Put

Atlantis van Ardoewaan is overleden. Het mooiste eerbetoon zal van de twee dronkaards komen die in 2040 in het holst van de nacht in de bruinste kroeg van ’t stad zullen bekvechten over de vraag of hij echt heeft bestaan. Degene die beweert van wel, zal gelijk hebben.

Ja, er kwam ooit iemand probleemloos weg met de naam Atlantis van Ardoewaan. Hij kwam aangereden uit Tollembeek en van de late jaren tachtig tot de eerste helft van de jaren nul was hij een even goeie reden om in hartje Brussel op café te gaan als de zucht naar drank en de kans op boeiende gesprekken.

Als barman van de Dolle Mol en de Kafka, en cafébaas van den Dada was hij een sleutelfiguur in het Brusselse nachtleven van weleer. Het nieuws van zijn overlijden, op zijn 58ste, twee dagen voor het einde van de drooglegging, bezorgt oudere generaties cafégangers beslist een wee gevoel.

Atlantis van Ardoewaan, legendarische barman van café Dolle Mol, in 2013
© Patrick Claes
| Atlantis in 2013. Onder het motto ‘’t is den hoed die het hem doet’ droeg Atlantis steeds een hoofddeksel.

Tappen in kroegen met karakter of geschiedenis maakt van niemand een ‘legende’, ‘ridder van de nacht’, ‘cultfiguur’ of ‘mythe’. Zo wordt Atlantis wel genoemd. Door de mensen die hem volgden van café naar café. Door de nachtraven die hij na sluiting op sleeptouw nam voor voortzetting van de festiviteiten of slaapmutsjes in Het Rijk der Zinnen of groezeligere, anoniemere kroegen die het ochtendkrieken haalden zoals La Poste op het Zaterdagplein. Door de uitverkorenen die hij na al die uitspattingen thuis trakteerde op een apotheose van joints, whisky, aardbeien met slagroom en opera (Casta Diva als het moest). Door iedereen die weet waarom er epicurist op zijn doodsprentje staat.

Maar niet alleen zijn gevolg had Atlantis hoog op. De Brusselse burgemeester Philippe Close aarzelde niet om even stil te staan bij zijn heengaan. “Atlantis is eerst en vooral een figuur: een kolos met een baard, oorbellen, zwarte zonnebril en met humor. Un toffe pei, een Gardevil maar vooral een van die mensen die Brussel zo menselijk maken. Ik mis ‘m.”

De legendarische barman Atlantis van Ardoewaan aan Café Dada
© Saskia Vanderstichele
| De legendarische barman Atlantis van Ardoewaan voor "zijn" Café Dada.

Verzonken cafécultuur

Niet alleen die van de burgemeester, élke poging om de legende te duiden begint bij zijn markante verschijning. “Ik kwam als zestienjarige de Dolle Mol binnen en achter de rokerige toog stond een imposante nieuwe barman met rosse baard, sigaretten achter beide oren en een twintigtal oorbellen. Hij droeg zwarte cowboylaarzen en een jagersvest waar geen kogels in staken, wel tientallen briquets. Maar hij had geen vuur wanneer iemand daar om vroeg,” vertelt boezemvriend Hans Bauters. “Onder het motto ‘’t is den hoed die het hem doet’ droeg Atlantis steeds een hoofddeksel. Pots, tuk, moesj, steek, canotier, bolhoed of hoge hoed … ze zullen me steeds aan hem laten denken.”

Toen Atlantis eind jaren tachtig als tapper aan de slag ging in de Dolle Mol ging het er volgens filmregisseur, kunstenaar en beroeps-dollemol Jan Bucquoy nog ruig aan toe in het café dat alternatief België overhield aan de revolutie van mei ’68. “De Dolle Mol was een soort vrijhaven waar alles kon. Iedereen mocht er zwalpen: postbodes, bankdirecteuren en ambtenaren die de laatste trein naar huis misten, de laatste punkers en hun honden, dichters, schrijvers, studentjes, nachtbrakers en zestienjarige Vlaams-Brabantse meisjes die thuis waren weggelopen. Atlantis kon met iedereen overweg én voor hem was iedereen gelijk. Na optredens in de AB zakten zangers wel vaker af naar de Dolle Mol. Op een nacht waaide Tom Waits binnen. Toen hij zijn gitaar bovenhaalde, riep er iemand ‘ta gueule’. Atlantis greep in. ‘C’est bon,’ zei hij … tegen Tom Waits, die zijn gitaar weer mocht opbergen. Met zijn imposante figuur kreeg Atlantis de rare gasten makkelijk buiten als er weer eens werd gevochten.”

De legendarische barman Atlantis van Ardoewaan in 2005 achter de toog van Café Dada
© Ivan Put
| De legendarische barman Atlantis van Ardoewaan in 2005 achter de toog van Café Dada: “De oude toogcultuur was hem op het lijf geschreven."

“Ik vraag me af of Atlantis in het huidige caféleven nog zo’n succes zou zijn,” zegt gids en vertelster Kaat Bauters. “De oude toogcultuur was hem op het lijf geschreven. Vandaag kan je niet meer op je eentje een café binnenvallen en verwachten dat je binnen de kortste keren in gesprek bent met iemand die je niet kent. Je wordt verondersteld met iemand af te spreken. Dat is een totaal ander gegeven. Atlantis was er een krak in om de meest uiteenlopende figuren op hun gemak te stellen. Hij was een meester in het begrijpen van iedereen die aan zijn toog zat en kon het café met zijn onnavolgbare, warme, absurde humor als een orkestmeester bespelen. Humor die nooit iemand afbrak maar de mensen juist ophief.”

Dadaïst

Als het om of andere reden niet plezant werd, was er altijd nog de muziek. The Ramones, There will be no next time, Lange Jojo, Roy Orbison, Johnny Cash, Billie Holiday en Monster Magnet. Niet de veelzijdigheid imponeerde, maar het talent van Atlantis om in te schatten waar het uur, de dag en het publiek zonder het zelf te weten om verlegen zat. De zwaarste drinker haalde niet in zijn hoofd om hem onder tafel te proberen te drinken. Op de uitvaart vorig week woensdag werd Atlantis omschreven als ‘de enige mens op aarde die kon ontnuchteren door pinten te drinken’. Hij had ook een eigen idioom. Zijn stopwoord was Halt!, zijn begroeting hiersiedaarsie, zijn merci niet op zijn Frans, maar op zijn Roy Orbisons: meurci.

De legendarische barman Atlantis van Ardoewaan in 2005 achter de toog van Café Dada
© Ivan Put
| De legendarische barman Atlantis van Ardoewaan in 2005 achter de toog van Café Dada. Het pand aan de Wolvengracht werd onteigend om het Vlaams-Nederlands Huis deBuren aan een achterhuis te helpen dat er helemaal nooit is gekomen.

Wordt het al wat duidelijker waarom zijn publiek hem in de jaren negentig volgde naar het café waar hij die dag achter de toog stond: de Kafka of de Dolle Mol? Of waarom BRUZZ-­voorloper Brussel Deze Week het een coververhaal vond toen hij juni 2001 in de Wolvengracht eindelijk zelf een café begon. Café Dada was een inslaand succes en had aan een paar weken genoeg om op kaart te staan van de cafés die van Brussel Brussel maken. De weken werden maanden, de maanden jaren, maar de jaren geen decennium.

Het pand aan de Wolvengracht werd onteigend om het Vlaams-Nederlands Huis deBuren aan een achterhuis te helpen dat er helemaal nooit is gekomen. Café Dada werd in 2007 verplant naar het voormalige Théâtre Quat’sous in de Violetstraat, maar daar liep het om verschillende, soms schimmige redenen fout. Atlantis verdween van het toneel. De eerste jaren dook hij wel nog op tijdens de Meyboomplanting in de Basfondswijk.

Apetrots was hij op zijn toetreden tot de Gardevils, de blauwhemden met een zwarte hoge hoed die de vreugdeboom beschermen tijdens de folkloristische hoogdag die teruggaat tot 1213. “Atlantis was letterlijk en figuurlijk, un Grand Monsieur,” zegt Jean-Pierre Vandenbroeck, voorzitter van de Gardevils. “De fotograferende toeristen en toeschouwers zoomden altijd op hem in,” lacht Rohnny Buyens, ex-gemeenteraadslid van Brussel, en Gardevil. Verschillende gezondheidsproblemen dwongen Atlantis om zich met zijn geliefde Elisabeth van Wilderode bijna volledig terug te trekken uit het publieke leven. Op dat moment was de legende al lang geschreven.

Het pand waarin café Dada huisde aan de Wolvengracht werd onteigend om het Vlaams-Nederlands Huis deBuren aan een achterhuis te helpen dat er helemaal nooit is gekomen (foto uit 2005)
© Ivan Put
| Het pand waarin café Dada huisde aan de Wolvengracht werd onteigend om het Vlaams-Nederlands Huis deBuren aan een achterhuis te helpen dat er helemaal nooit is gekomen (foto uit 2005.)

Nog eentje

Rest nog de vraag of Atlantis van Ardoewaan echt zo heette. Het antwoord is ja. Op het doodsprentje staat zijn geboortenaam niet prominenter dan de naam die hij zich als adolescent aanmat, alsof hij voorvoelde dat levenskunst het interessants is om in uit te munten.

Nog één verhaaltje over de nachtridder die nooit terugdeinsde voor nog eentje. “Klanten en vrienden die niet meer thuisraakten op het einde van de zoveelste wilde nacht konden blijven slapen op zijn kamertje boven de Dolle Mol,” vertelt Hans Bauters. “Daar moest wel voor betaald worden. Niet met zoiets ordinairs als geld, maar door voor te lezen uit het verzamelwerk De brieven van Karl Marx. Marx’ brieven aan Friedrich Engels begonnen meestal met ‘Fred, je was gisteren weeral veel te dronken’.” De vraag of je voor het marxisme je hoed moet afdoen is al honderd jaar een garantie op een stevige toogdiscussie. De vraag of je hoed moet afdoen voor de cafébaas die zoiets bedenkt, is bij gebrek aan andere antwoorden dan ja helemaal geen vraag.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees ook

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?