Theaterfestival: het jaar van de staande ovaties

© Saskia Vanderstichele

Het Theaterfestival selecteerde voor zijn 25e verjaardag maar liefst 23 producties van het afgelopen seizoen die opnieuw gezien mogen worden. Jurylid en fulltimetheatercriticus Wouter Hillaert licht die grote oogst toe, vier 'ambassadeurs' breken een lans voor hun favoriete stuk.

Wouter Hillaert vult zijn dagen en avonden onder meer met het coördineren van het tijdschrift voor cultuur en kritiek rekto:verso, het mee bezielen van het onlangs nog met de Prijs voor de Democratie bekroonde burgerinitiatief Hart boven Hard, het recenseren voor De Standaard, en sinds afgelopen seizoen dus ook weer met het jureren voor Het Theaterfestival. Die jury bevat negen professionele maar onafhankelijke theatergangers zoals critici, recensenten, docenten en programmatoren van verschillende leeftijden. Wat niet betekent dat we vanaf nu elke keer zo'n ruime selectie zullen kunnen herbekijken. "Die ruime selectie heeft vooral te maken met het feit dat we op voorhand al wisten dat enkele voorstellingen om praktische of budgettaire redenen niet hernomen zouden kunnen worden," licht Hillaert toe. Het gaat om Medea van Simon Stone en Toneelgroep Amsterdam, The fountainhead van Ivo Van Hove en Toneelgroep Amsterdam, Colossus van Stef Lernous en Abattoir Fermé en Revue ravage van Josse De Pauw, Tom Lanoye, Peter Vermeersch, KVS en NTGent. "Dat gaf meteen het voordeel dat we het gesprek iets opener konden voeren dan wanneer we ons tot twaalf producties moesten beperken."

De selectie is geen artistiek statement of hulde aan een bepaalde manier van werken, maar echt een 'best of' van het seizoen.
Wouter Hillaert
: Ja, maar we voelen ons wel verantwoordelijk voor de diversiteit van het geheel. Al ga je natuurlijk nooit voorstellingen selecteren waar niemand iets aan heeft, alleen om het plaatje compleet te maken. Er moet voor de juryleden het gedeelde gevoel bestaan dat het echt thuishoort op het festival – omdat het je beroert, omdat het iets interessants doet met de kunst, omdat een maker iets bijzonders te vertellen heeft. Dat zijn ook de basisredenen waarom de gemiddelde toeschouwer van toneel houdt. Daarnaast let de jury op dingen als de betekenis van een stuk binnen een historische lijn, de vernieuwende omgang met vorm of nieuwe inzichten over de positie van de kunstenaar.

In de selectie zitten dus toneelstukken die reclame maken voor het medium.
Hillaert
: Ieder apart doen ze dat misschien niet allemaal, maar de selectie in haar geheel wel. Er zitten ook een paar scherpere keuzes bij, zoals die voor Hunter van Meg Stuart of AH/HA van Lisbeth Gruwez. Iemand als Jakop Ahlbom speelt dan weer heel zelden in Vlaanderen. Horror is een spetterende genre-oefening op de horrorfilm, maar dan live op het theater. Zijn performances zijn de iets minder surreële versie van de dansvoorstellingen van Peeping Tom (dat ook geselecteerd is met Vader, mb), en evengoed een cadeau aan het publiek.

Het theatergild heeft voor die reclame ook al applaus gekregen. Jullie spreken in het juryverslag van "het jaar van de staande ovaties".
Hillaert
: Het is een beetje subjectief, maar ik heb toch het gevoel dat ik het afgelopen seizoen veel staande ovaties heb meegemaakt. Dat heeft volgens mij veel te maken met het feit dat er in de grote zaal weer meer voorstellingen worden gemaakt die een viering zijn voor het publiek. Bij een stuk als Augustus ergens op de vlakte van de drie stadstheaters kan je je afvragen of zo'n fantastisch well-made play wel voldoende is, maar het is net dat soort genereus ensembletheater, dat vroeger veel meer vanzelfsprekend was, dat je de afgelopen jaren weinig zag.

Is dat een kwestie van talent dat tot volle wasdom komt en misschien ook door de televisie wordt gepromoot?
Hillaert
: Ik denk dat weinig gezelschappen bewust voor bekende koppen kiezen. Maar ze stuwen natuurlijk de verkoop. Dat geven gezelschappen en cultuurcentra ook aan. Vooral bij lokale besturen voel je die neiging tot commercialisering. Of je een voorstelling vijf keer kan spelen of twintig, kan daarvan afhangen, en dat is ongelukkig. Wij houden daar geen rekening mee. Als we het hebben over een cadeau voor het grote publiek, dan gaat het niet over bekende koppen maar over een houding van de theatermaker.
Tot vlak voor de laatste verkiezingen liep de discussie of we nog wel subsidies moesten geven aan hangmatartiesten die naakt optreden in onbegrijpelijke verhalen voor hun eigen familie en vrienden. De impact van die discussie in de sector mag je niet onderschatten. Die was er tot in de repetitiezaal. Je ziet dat aan kleine details, zoals het frontaal spelen. Je ziet alsmaar vaker dat twee acteurs die een dialoog met elkaar voeren zich toch met hun gezicht naar de zaal richten. Je voelt de noodzaak om het gesprek met het publiek aan te gaan. Bij een nieuwe generatie theatermakers die van nature theater maakt mét het publiek, gebeurt dat ook buiten de klassieke theatersetting. Die tendens dat het allemaal niet meer per se in een theater hoeft te gebeuren, bestaat al langer. Maar vandaag gaat het niet meer zozeer om locatietheater, men vertrekt echt vanuit de wijk, met meer participatie van de gemeenschap.

Het jeugdig enthousiaste Liefdesverklaring van Nicole Beutler en Magne van den Berg is een exponent van die nieuwe omhelzing van het publiek.
Hillaert
: Als ik uit de selectie één productie moet kiezen die iedereen zou moeten zien, dan is het inderdaad die van enkele tieners die de Publikumsbeschimpfung van Peter Handke, waarin het publiek voortdurend wordt uitgescholden, omdraait tot een liefdesverklaring aan het publiek.

Jij lijkt die toenadering tot het publiek ook van de kunstenaar te verlangen.
Hillaert
: Mijn eerste verwachting is dat voorstellingen respect teweegbrengen voor wat de makers presteren op de scène. Als dat voor vijftig mensen is, kan dat even legitiem zijn als wanneer een volle zaal dat respect laat blijken. De subsidiërende overheid moet niet elk gezelschap afzonderlijk afrekenen op een groot publieksbereik, maar wel het veld als geheel daarop beoordelen. Er moet plaats zijn voor theater dat mensen een aangename avond bezorgt, maar ook voor theater dat maatschappelijke kwesties agendeert, of dat vormelijk vernieuwend is. Wel moeten we ons bewust blijven van het feit dat we spelen in en voor een gemeenschap.
Het idee dat wat autonome kunstenaars zélf noodzakelijk vinden sowieso legitiem theater oplevert, was een evidentie uit de succesvolle jaren 1980, maar moeten we durven te herbekijken. Je zal natuurlijk nooit een goede voorstelling krijgen als ze niet vanuit de kunstenaar vertrekt, maar het gaat volgens mij vandaag meer en meer over verbinden en uitwisselen.

Wat opvalt is dat sommige theatermakers kwaliteit blijven leveren: makers als Ivo Van Hove, Meg Stuart, Abattoir Fermé, De Warme Winkel, Josse De Pauw, Tom Lanoye, tg Stan en Rosas halen opnieuw de selectie.
Hillaert
: Zeker, en dat heeft niets met generaties te maken. Anne Teresa De Keersmaeker is het beste voorbeeld van een kunstenaar uit de talentrijke generatie van de jaren 1980 die zichzelf de vraag stelt wat haar taal in de 21e eeuw kan zijn. Die impliciet een ecologische discussie voert of nadenkt over het verspreiden van geletterdheid in danstaal. Ook dat is een verhaal van verbindingen.

Voorts waren er ook nog de vele producties in het kader van de herdenking van WO I.
Hillaert
: Het is frappant hoe makkelijk theater meegaat in modes. Er is natuurlijk een noodzaak om het over WO I te hebben, maar vooral de manier waarop telt. Als het zich beperkt tot een verhaal over onze jongens in de loopgraven, omdat daar nu eenmaal geld en aandacht voor is, dan lijkt de keuze me niet bijster gemotiveerd en is dat er vaak ook aan te zien. Dan vind ik een voorstelling als Reizen Jihad van Sincollectief, die niet in de selectie zit, maar die het oorlogsverhaal doortrok naar Syrië en oorlog vandaag, een stuk interessanter.

Ook De Warme Winkel en Milo Rau schreven over 'de Syriëstrijder' een genuanceerd verhaal dat hem in media en politiek lang niet altijd gegund was.
Hillaert:
In die kracht van theater blijf ik geloven. Theatermakers, en kunstenaars in het algemeen, zijn krachten die door de gemeenschap zijn vrijgesteld om dieper over de dingen te kunnen nadenken. En als het goed is hebben ze ook toegang tot een verbeelding die daar op een andere manier verslag van kan uitbrengen dan een academicus op een opiniepagina of een politicus in het parlement.

Blijkbaar was die verbeelding er minder in het jeugdtheater?
Hillaert
: Het bleek moeilijker dan vorig jaar om veel uitzonderlijke producties te vinden, ja. Er zijn genoeg jeugdtheatermakers waar je blij van wordt. Tuning People doet interessante dingen en Studio Orka is er nu voor een keertje niet bij. Maar globaal vind ik toch dat het jeugdtheater de rol wat moet lossen als het erom gaat te tonen wat je allemaal kan doen met het medium theater. Misschien moet het toch eens in de spiegel kijken. Hoe kan het de vanzelfsprekendheden van dit tijdsgewricht vaker in vraag stellen?
 

Vier ambassadeurs breken een lans voor hun favoriet:

Het Theaterfestival

data: 3 > 13/9

waar: Kaaitheater, Kaaistudio's, Bronks, KVS, CC Strombeek, Wiels

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Meer nieuws uit Brussel
BRUZZ Magazine
deze week
  • Voor veel Brusselaars moet de energieklap nog komen
  • Acht vragen over de stijgende energieprijzen
  • Waarom Staatsveiligheid de Molenbeekse imam het land uit wil
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
deze week
  • Laura Van Haecke over haar webserie 'Hacked' voor Gen Z
  • Helen Levitt: New York comme on ne la verra plus jamais
  • Lucy McKenzie: 'Yes, I can paint cats'
  • BRUZZ in the city
  • Archief
Neem een abonnement