Technologie voor alle leeftijden

Op 30 maart was John Maeda (Seattle, 1966) te gast voor een lezing in de Beursschouwburg in het kader van Shapeshifters. Volgens hem, en zijn vele leerlingen, zal de toekomst gecomputeriseerd zijn, of niet zijn. "We hebben gewoon geen keus."

Maeda is niet de eerste de beste. Hij is een voortrekker in het streven naar een betere wereld door technologische vooruitgang. Hij is een ingenieur, maar ook een vormgever die met twee voeten in de eenentwintigste eeuw staat en meer dan wie ook beseft dat vormgeving essentieel is in een informatiemaatschappij.

Maeda is een man van nulletjes en eentjes, iemand die code programmeert. Zijn belangrijkste verdienste is misschien wel dat hij erin slaagt boeken te schrijven over nulletjes en eentjes zonder een nerd te worden. Hij pleit in alles wat hij doet voor eenvoud. De computer biedt in zijn ogen nieuwe mogelijkheden voor alle leeftijden.

De ideeën en de denkwereld van John Maeda zijn verbonden aan die van het Media Lab van het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Het bijzondere aan dat Media Lab, waar Maeda les geeft, is dat men er problemen probeert op te lossen die zich mogelijk pas binnen vijf of tien jaar stellen. Het denken over en werken rond dit soort problemen zorgt ervoor dat de klas van John Maeda een creatieve broeihaard is waarin voluit en met overtuiging voor de verdere ontwikkeling van het digitale tijdperk gekozen wordt. Wanneer je het over John Maeda hebt, dan kun je dus eigenlijk niet anders dan het over de wisselwerking met zijn studenten hebben. Hoe er in de klas van professor Maeda met nulletjes en eentjes wordt omgegaan, wordt wellicht nog het best geïllustreerd met een citaat van John Simon, jr., een van zijn gewezen studenten: "Wanneer ik programmeren omschrijf als creatief schrijven, dan denk ik aan de korte verhalen en gedichten die ik als eerstejaarsstudent schreef in de les Engels. Het komen aanzetten met een idee, het ontwikkelen ervan, en het uiteindelijk gaan zitten om het allemaal neer te schrijven... Het is eigenlijk allemaal net eender. Het verschil bij programmeren is echter dat datgene wat ik net heb geschreven, op zijn beurt begint te creëren. De code wordt een werkende machine en het is bijzonder fascinerend om te zien wat ze zal doen."

Modern Times
Het MIT werd opgericht om een antwoord te bieden en richting te geven aan de veranderingen in de wereld van communicatie en technologie. Hoewel de problemen in de huidige en toekomstige digitale informatiemaatschappij niet gering zijn, heeft Maeda een groot vertrouwen in de machine. Met een eenvoudig "We hebben geen keuze" maakt hij verdere vragen in die richting overbodig. Of om het met de woorden van de historicus John Heskett te zeggen: "Niemand wil terug naar de tijd waarin er geen stromend water was."

Volgens John Maeda is een welgemeend bedankje aan het adres van de moderne technologie zelfs het minste wat we kunnen doen. Betekent dit dat de waarschuwing van Charlie Chaplins Modern times uit 1936 achterhaald is? Zijn studenten, afkomstig uit alle hoeken van de wereld, schijnen zich alleszins weinig zorgen te maken over de gecomputeriseerde maatschappij. Elise Co, een studente die in 2000 afstudeerde aan het MIT, omschrijft het als volgt: "Ik vraag me niet af of computers in staat zullen zijn tot x of y, gewoon omdat ik er niet aan twijfel dat ze dat zullen kunnen. Wat me wel boeit, is de plaats van de computer in de wereld, in het bijzonder in relatie tot de mens. Op welke manier zullen ze ons beïnvloeden? Op welke manier zullen wij met computers omgaan?"

Zoals de familie Olivetti in de glorieperiode van de typemachine en Walter Gropius in 1919 bij de oprichting van het Bauhaus al beseften, heeft technologie een grote sociale impact, en dat is vandaag misschien zelfs meer dan ooit het geval. Het is belangrijk dat er nagedacht wordt over wat men ontwerpt, maar de vraag hoe men ontwerpt, is minstens even belangrijk.

Gewoon doen
John Maeda is onder de indruk van de kracht van de jonge generatie die hij in het Media Lab over de vloer krijgt. Ze hebben de meest uiteenlopende vooropleidingen achter de rug, van astrofysica over wiskunde en psychologie tot grafische vormgeving en beeldende kunsten, en ze willen de wereld veranderen. John Maeda heeft zich als directeur van de Aesthetics & Computation Group (ACG), een in 1996 opgerichte en bij het Media Lab horende experimentele onderzoeksstudio, tot doel gesteld de 'technologische humanisten' aan te moedigen. Hij richt zich op het begeleiden van mensen die vorm kunnen geven aan een toekomstige cultuur omdat ze de technologieën die ze gebruiken, werkelijk begrijpen. Een groep bollebozen dus, die van hun mentor in de eerste plaats de raad Don't think, just do meekrijgen. Het klinkt een beetje als een slogan van Nike, maar Maeda zou Maeda niet zijn moest hij niet in staat zijn te relativeren en zich af te vragen waarom een digitaal kunstwerk eeuwig zou moeten blijven bestaan in een wereld waar zelfs bergen en rivieren door mensen vernietigd worden.

Eenvoud en complexiteit
We mogen wellicht inderdaad aannemen dat niemand terug wil naar een leven zonder stromend water en dat technologie ons ongetwijfeld kan helpen van deze wereld een betere plek te maken. Goedkope computers voor de derde en vierde wereld zijn zonder twijfel een goede zaak, en goedkope mobiele telefoonnetwerken in landen waar je voordien nauwelijks een telefoon kon vinden, bieden ongetwijfeld ook heel wat kansen op het wegwerken van economische en sociale achterstand. Maeda en zijn geestesgenoten aan het MIT denken na over de plaats van de computertechnologie in onze toekomst. Dat die technologie zich razendsnel verder zal ontwikkelen, leidt geen twijfel. De voornaamste vraag die hen bezighoudt, is dan ook hoe we ervoor kunnen zorgen dat die ontwikkeling écht positief is. De iPod bijvoorbeeld wordt de hemel in geprezen om zijn eenvoud.

Het gevolg is dat heel wat hardware-producenten eenvoud als verkoopsargument zijn gaan gebruiken. Maar eenvoud en gebruiksvriendelijkheid zijn volgens Maeda een softwareprobleem. Hardwareproducenten zorgen er alleen voor dat iets eenvoudig lijkt, maar dat blijkt in de praktijk dikwijls tegen te vallen voor de gebruiker. Met zijn onderzoeksprogramma Simplicity tracht Maeda de gapende kloof te dichten tussen de gebruiker en de ontwerper van tools en software, en een oplossing te zoeken voor het conflict tussen eenvoud en complexiteit. Complexiteit ontstaat immers ironisch genoeg wanneer je een eenvoudig gegeven tracht te reduceren: elke actie of beweging leidt onvermijdelijk tot een reeks minder eenvoudige mogelijkheden. Het programmeren wordt in feite steeds complexer omdat tools en software steeds beter, sneller en gebruiksvriendelijker moeten worden. Terwijl tools dus eenvoudiger worden voor de gebruiker, worden ze complexer voor de maker.

Een visie voor de toekomst
"Het juist inschatten van de vooruitgang inzake computertechnologie is niet zo'n probleem," zegt ook David Small, een ander oud-student van Maeda. "Het juist inschatten van de vooruitgang in­za­ke grafische vormgeving en design is al heel wat moeilijker." Aan het MIT overheerst de overtuiging dat de industrie zorg draagt voor de problemen van vandaag, maar dat we behoefte hebben aan een visie voor de toekomst. Small heeft het onomwonden over de tirannie van het World Wide Web: "Iedereen kan, in een bestaand bestandsformaat, informatie publiceren die door om het even wie in de wereld bekeken kan worden. Maar elke verandering aan dat bestandsformaat zal ervoor zorgen dat die informatie onleesbaar wordt." Het internet is dus voor iedereen toegankelijk, maar dat je gebonden bent aan wat een browser of software kan weergeven, houdt ook een enorme beperking van de creatieve mogelijkheden in. Small hoopt dan ook dat nieuwe computers en nieuwe manieren voor het vormgeven van informatie snel komaf zullen maken met de voorbijgestreefde huidige benadering, en hij hoopt dat een volledige ondersteuning van dynamische, dimensionale en organische typografie de nieuwe standaard mag worden. De grootste problemen waarmee we volgens Small in de volgende vijf tot tien jaar te maken zullen krijgen, zullen samenhangen met een gebrek aan een gemeenschappelijke visuele taal.

Leuk is dat Small hier een vergelijking maakt met de revolutie die Gutenberg in 1462 teweegbracht door met losse letters te drukken. Zijn gedrukte boeken vervingen geleidelijk aan de handgeschreven manuscripten, maar de vorm van de loden letters was gebaseerd op het handschrift, waardoor er geen nieuwe manier van lezen nodig was. Ook de uiterlijke vorm van het boek veranderde niet, waardoor zelfs de oude boekenrekken gewoon verder gebruikt konden worden. Maar een indirect gevolg van Gutenbergs ingreep in het medialandschap van zijn tijd was wel dat er een standaardisatie van de lettervormen ontstond, net als een consensus omtrent de aanduiding van hoofdstukken en paginering, en dat maakte het lezen voor de lezer heel wat aangenamer.

Volgens Small bevinden we ons momenteel in een soortgelijke technologische beweging: er zijn heel veel mogelijke oplossingen om het probleem van informatie vorm te geven, en om de huidige technologische revolutie tot een goed einde te brengen, zullen ontwerpers en lezers opnieuw op elkaar afgestemd moeten geraken.

Ook Peter Cho, een andere oud-student van Maeda en vandaag actief in de filmwereld, pleit voor dynamische typografie: "Veel mensen lezen vandaag meer tekst op computer, televisie, PDA of gsm dan op papier. In de laatste decennia evo­lueerde onze relatie met technologie tot een punt waar kijken en lezen van schermen natuurlijk is geworden. On-screen type is goedkoop in productie en verspreiding en dynamische typografie maakt een cinematografische aanpak mogelijk." Typografie in combinatie met beweging, een verhaallijn en geluid - denk bijvoorbeeld aan de film Se7en van David Fincher met Brad Pitt en Kevin Spacey uit 1995 - is sinds een tiental jaar aan een stevige remonte bezig. Maar in feite is het een logisch verder bouwen op de illusie van dynamiek en tekst waarmee eerder al door kunststromingen als futurisme en dada en door Paul van Ostaijen in zijn gedicht 'Boem-Paukeslag' geëxperimenteerd werd. Wat DeskTop Publishing deed voor drukwerk, doet software als Flash en After Effects nu voor dynamische typografie. Ondertussen is het wachten op de ontwikkeling van een écht intelligent lettertype.

Visuele cultuur
Of het iets met Se7en of Brad Pitt te maken heeft, is nog maar de vraag, maar je zou kunnen zeggen dat er omstreeks de release van de film in 1995 een nieuwe visuele cultuur is ontstaan waarbij kunstenaars en designers interactief werk online brengen waarop gereageerd wordt zoals een publiek op kunst in het algemeen reageert. Vaak gaat om studenten of om mensen die zelf actief zijn in de digitale kunstwereld. Golan Levin bijvoorbeeld is een jonge artiest die zijn werk op een gedreven, maar schijnbaar pretentieloze manier publiceert op zijn eigen website. Ook hij volgde les bij John Maeda: "Ik hou ervan om mijn werk op het web te publiceren. Ik hoop gewoon dat elk van mijn projecten op de een of andere manier gezien zal worden als een kleine gift aan wie er toevallig bij zou aanbelanden."

Ook Joshua Davis is een oud-student van meester Maeda. Op conceptueel niveau herkent hij zich van alle moderne kunstenaars het meest in de action painter Jackson Pollock (1912-1956). Niet zozeer omdat hij zich herkent in diens visuele stijl, maar wel omdat Pollock zichzelf steevast een schilder noemde, hoewel zijn borstel in de meeste gevallen het doek zelfs niet raakte. Voor Joshua Davis vertelt het bewust niet gebruiken van je materiaal op de traditionele manier veel over het concept van dynamische abstractie dat hij nastreeft. Het verschil tussen het werk van Pollock en dat van Davis zit in het feit dat de werkwijze van de eerste dynamisch was, maar het resultaat steevast statisch. De werkwijze van Davis daarentegen is nooit dynamisch. Hij schrijft immers een code, een programma dat unieke composities creëert. Davis programmeert de borstels, de lijnen, de afmetingen van het canvas, maar het is uiteindelijk de machine die de composities genereert. De programma's tekenen zichzelf. Het bijzondere is dat Davis van de ene verrassing in de andere valt wanneer het programma iets maakt waar hijzelf nooit aan gedacht zou hebben, of wat hem uren zou kosten om het op een manuele manier te maken.

Hoewel hij zegt in de grond nog steeds dezelfde kunstenaar te zijn die hij was toen hij zelf nog schilderde, en enkel zijn gereedschap is veranderd, herschrijft Davis in zekere zin de spelregels van de kunst. Kunst en design werden en worden steeds omschreven als statische processen, waarbij een bepaalde stijl en methode worden aangeleerd die dan tot een welbepaald eindresultaat moeten leiden. Dat deze enge omschrijving in een digitaal tijdperk de lading niet langer kan dekken, hoeft niemand te verwonderen. Ook John Maeda zelf deed, vooral in het begin van zijn carrière, veel moeite om de wijdverspreide mening te weerleggen dat de computer niet meer was dan een nieuw gereedschap ter vervanging van het oude, analoge materiaal. Een computer is voor Maeda geen gereedschap, maar een nieuw middel tot expressie.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
BRUZZ Magazine
deze week
  • Als één man achter Union, hoe de oude club weer hip wordt
  • Juicer Kylian: 'Deelsteps betalen mijn huur'
  • Bert Anciaux trekt lijst SP.A+: 'Nog één keer knallen'
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
deze week
  • Serge Aimé Coulibaly: épopéé d'une autre Afrique
  • De verzamelwoede van Benjamin Verdonck
  • Mike Yung: the sound of the underground
  • BRUZZ in the city
  • Archief
Neem een abonnement