Robert Menasse over De hoofdstad: ‘Brussel heeft me leren geduldig zijn’

Robert Menasse.© Rafaela Proell

Zijn vriend Geert Van Istendael voorspelde ooit dat hij zou mislukken. Maar zie: met zijn roman De hoofdstad kaapte Robert Menasse vorig jaar de belangrijkste Duitstalige literaire prijs weg. Het boek is het eerste ambitieuze werk waarin de Europese Unie zelf de hoofdrol speelt. Tegelijk is het een Brusselroman van een auteur die van de stad is gaan houden. “In een stad met zoveel culturen moét je wel geduldig zijn.”

Een maand. Zolang wou Robert Menasse oorspronkelijk in Brussel blijven om er vat te krijgen op de vele radertjes van de Europese Unie; op de vele mensen die die radertjes zijn vooral. Het werden uiteindelijk vier jaar. De lange voorbereiding voel je bij het lezen van Die Hauptstadt, dat deze dagen ook in het Nederlands verschijnt. Levensechte personages, een trefzekere schets van het centrum van de Europese macht, maar ook van de microcosmos rond Sint-Katelijne waar Menasse woonde, De Hoofdstad heeft het allemaal.

De roman telt vele verhaallijnen, die elkaar terloops raken. Een varken dat door de stad spookt, een religieuze Poolse huurmoordenaar en de carrière- en liefdesperikelen van de Griekse ambtenaar Xenia zijn daar enkele van. Maar het hoofdverhaal speelt zich af in de Europese Commissie. Die wil haar eigen imago bijspijkeren met een verjaardagsfeest, waarop liefst alle overlevenden van Auschwitz opdagen. Het project zal spectaculair kapseizen. De holocaust als grondidee voor de Unie, het is een idee dat als een rode draad door het boek loopt. “Ik blijf erbij: daar een nieuwe hoofdstad bouwen, zou perfect logisch zijn.”

De hoofdstad Robert Menasse
De Nederlandse versie verschijnt nu.

Hoe is het idee voor uw roman ontstaan?
Op een bepaald moment begon ik te beseffen dat de randvoorwaarden voor mijn leven in Brussel geproduceerd worden, door de EU. Dat is uitzonderlijk in de geschiedenis: dat in één stad de wetten voor een heel continent worden gemaakt. Ik wou weten hoe dat in zijn werk gaat. Mijn interesse werd gewekt op een moment dat Europa op steeds meer kritiek kon rekenen, ook in Oostenrijk. Het antwoord op mijn vragen kon ik enkel ter plaatse vinden, want de EU is voor de meesten toch een heel abstract gegeven. Ik wou dat abstracte een gezicht geven.

Daarin bent u geslaagd. Uw personages binnen de instellingen komen erg overtuigend over. Hoe hebt u uw research aangepakt?
Eerst kon ik een maand lang in een schrijverswoning van Passa Porta verblijven. Vooraf dacht ik dat een maand erg lang was, maar na enkele weken was me al duidelijk dat het nooit zou lukken. De tweede helft van die periode heb ik dan gebruikt om een appartement te vinden (lacht). Ik heb dan vier jaar aan Sint-Katelijne gewoond. In die tijd heb ik zoveel mogelijk ambtenaren ontmoet. Ik wou hun werk begrijpen, wat ze drijft, waarom zoveel ook niet functioneert. Zo begon ik langzaam de spanning te begrijpen tussen enerzijds het beginidee van de Unie en haar stichters, en aan de andere kant de weerstand die je ziet bij de lidstaten. Ik heb ook veel ambtenaren privé leren kennen, hun zorgen, hun carrièredromen… Es ist ein menschengemachtes Ding. De Unie is er uiteindelijk een van mensen.

Wat onthoudt u van die ontmoetingen?
Dat de meeste clichés die over hen circuleren niet kloppen. In de regel komen ze hier niet via politieke vrienden of omdat ze thuis niet meer nodig zijn. Meestal zijn het erg goed opgeleide mensen, die vijf talen spreken, geslaagd zijn voor het concours en ook geloven in het Europese ideaal. Ze werken in Spartaanse bureaus. Ze verdienen wel goed, dat klopt.

Hebt u dan ook vier jaar in Brussel gewoond?
Ik pendelde tussen Wenen en Brussel. In die lange periode werd me steeds duidelijker dat het een Brusselroman moest worden, die zich niet enkel rond Schuman afspeelt.

Uw boek is een mozaïek van veel verhaallijnen, een beetje zoals Europa ook een puzzel van culturen en staten is. Het verhaal speelt dan ook nog eens in een stad die veel meer dan anderen een patchwork is van gemeenschappen.
Brussel is echt een laboratorium van de Europese idee. Dat zie je in het veelvoud aan talen en culturen, maar ook in de organisatie van de stad. Ik ken geen enkele stad die negentien burgemeesters heeft, die moeten overeenkomen. Dat is de EU in het klein.

Stel: u ontmoet iemand in een Brussels café, die uw boek niet kent. Hoe beschrijft u het in drie zinnen?
Oei (denkt even na). Ik zou zeggen: 'U als Brusselaar weet toch dat Brussel een mozaïek is, die uit vele stenen bestaat. U kan zich misschien voorstellen dat die stenen er voor mensen die de stad niet kennen, uitzien als confetti. Ik heb geprobeerd uit die confetti-indruk opnieuw een mozaïek te maken.'

U wou de stad leren kennen. Hoe is Brussel u bevallen?
Ik voelde me snel thuis in de stad en heb er bijna van leren houden. Dat is bijzonder, want Brussel heeft me verplicht om anders te zijn dan ik normaal ben. Ik ben eigenlijk een erg ongeduldige mens. Maar ik heb er geleerd om net heel geduldig te zijn. Alles duurt gewoon veel langer als in andere grootsteden.

Die Hauptstadt
Die Haupstadt won de Deutscher Buchpreis.

Geeft u eens een voorbeeld.
Aan de Oude Graanmarkt heb je toch die mooie kaaswinkel. Onlangs stond daar een oudere, opgemaakte dame voor mij. In gelijk welke andere stad weet je dat je nog maximum drie minuten wacht. Bij mij duurde dat 20 minuten, omdat de verkoper een gesprek voerde waarin zelfs naar de gezondheid van de hond werd geïnformeerd. Dat is charmant, misschien is dat gesprek voor die vrouw het hoogtepunt van de dag. In Wenen was ik al lang ontploft.
Een andere reden waarom Brussel me zo enthousiast maakte, is dat alles nieuw was. Dat is best uitzonderlijk, want van veel andere wereldsteden heb je vooraf al een beeld: Berlijn, New York, Wenen. Maar niemand heeft een beeld van Brussel, waardoor je hier ook geen déjà vu-belevenissen hebt.
Het geduld waar ik het daarnet over had, typeert ook de stad. Ik geloof dat de meertalige bewoners van deze stad met al zijn culturen en mentaliteiten één ding begrepen hebben: ofwel gaan ze geduldig met elkaar om, of het werkt gewoon niet.

Een van de hoofdpersonages, een Oostenrijkse professor, verliest verschillende keren de weg in de werfchaos aan Résidence Palace. Deelt u de mening van de Franse journalist Jean Quatremer dat de Europese wijk een vorm van fysieke agressie is tegenover zijn bezoekers?
Neen. Het ging me meer om de metafoor: Europa als bouwwerf. In tegendeel, er zijn weinig plekken in Europa waar je de politieke verhoudingen zo transparant kan zien in de stad. Als je begrepen hebt dat de basistegenstelling in de EU die tussen Commissie en Raad is, dan zie je dat ook in de architectuur. Het is de tegenstelling tussen de toekomstvisie van meer eenheid enerzijds en de verdediging van de lidstaten anderzijds. Aan de ene straatkant heb je het Berlaymontgebouw met zijn moedige schwung en glazen gevel, die getuigen van een open houding. En recht daartegenover het Justus Lipsiusgebouw van de Raad, dat er uitziet als een middeleeuwse burcht, met opgetrokken ophaalbrug. Je merkt: daar wordt verdedigd. Als je dan verder kijkt, naar het nieuwe raadsgebouw, zie je een gevel die opgetrokken is uit niet-functionerende ramen die gebouwd zijn volgens al de verschillende normen voor ramen die de EU telt. Hoe kan je in godsnaam op zo’n idioot idee komen? Maar het is wél transparante architectuur, die toont wat leeft in het gebouw.

U hebt het nu over fysieke transparantie, maar de kritiek aan de EU is vaak dat er geen Europese debatruimte is. Europees beleid wordt zonder veel media-aandacht of brede discussie voorbereid en beslist en dan is het er plots.
Ik ben het daar niet eens mee. Er is wel een Europese meningsruimte, maar die bestaat enkel als er een crisis is. In 2010 bijvoorbeeld heeft het hele continent over de Griekse kwestie gediscussieerd en hoe het verder moest met de staatsschuld. Maar als er vooruitgang is, dan is die Europese openbaarheid er niet. De voordelen nemen mensen meteen aan: reisvrijheid, de gemeenschappelijke munt,…

Er is ook nog wel een pak wetgeving die er vrijwel zonder debat komt en die daarom niet overal applaus krijgt. Nieuwe regelingen over chemische normen bijvoorbeeld, waar zwaar voor gelobbyd wordt.
Ja, maar ook dat heb ik in Brussel geleerd: je hebt allerlei lobbystructuren. De bedrijfswereld is hier vertegenwoordigd, maar evengoed ngo’s als Greenpeace of vakbonden en lokale overheden. Je kan hier als lobbyist ook geen politici kopen zoals dat in de VS kan.

De bedrijfswereld kan daar dan wel veel meer middelen in steken. De chemiefederatie heeft in Brussel een 150-tal mensen in dienst.
Alles is een zaak van krachtverhouding, sinds de steentijd al. En alles is een zaak van mensen. Als de vakbonden er bijvoorbeeld niet in slagen om een degelijke internationale structuur uit te bouwen, terwijl de industrie dat probleemloos doet, dan is dat een menselijke aangelegenheid en geen systeemfout. Dat was net wat ik in mijn roman wou onderzoeken: welke mensen zijn daar eigenlijk aan het werk?

Geert Van Istendael, die er op 14 maart ook bij is in de KVS, heeft een gastrolletje in uw roman als ‘beroemde Brusselse auteur’. Het klinkt als een knipoog naar een vriend. Is dat zo?
Ja, ik ben hem erg dankbaar. Hij heeft mij bij de hand genomen, me Brussel getoond en erover verteld. Als auteur van ‘Arm Brussel’ is hij daar goed geplaatst voor. Hij is dus een vriend, hoewel hij zich ook al eens een zelfgenoegzame steek heeft gepermitteerd. In een interview zei hij ooit dat een Oostenrijker die een Brusselroman wil schrijven best sympathiek was, maar dat ik daarin zou falen.

Daarmee heeft de interviewer op 14/3 alvast één vraag voor Geert Van Istendael: of u daadwerkelijk gefaald hebt. Volgens de jury van de Deutscher Buchpreis alvast niet. Bovendien verkoopt uw boek ook nog eens erg goed.
Ja, we hebben net de 24ste licentie verkocht, aan Egypte deze keer. Daarvoor was het Canada en Turkije. De talen van de Europese Unie zijn er sowieso bij. En wist u dat ik nu in China op de shortlist voor de beste niet-Chinese roman sta?

U toonde zich al een paar keer verrast door het succes van uw roman, op de prijsuitreiking bijvoorbeeld. U was nochtans genoemd als kanshebber.
Ik was echt verrast. Dit was een roman over een onderwerp dat me persoonlijk interesseert. Maar dat het brede publiek ook toehapt, terwijl de algemene stemming rond de EU niet echt denderend is, had ik niet verwacht. Telkens als ik terug uit Brussel naar Wenen kwam, merkte ik hoe mensen reageerden als ik over de EU wou spreken: afwerend. En dan kwam het succes. Het boek sprong trouwens al op de bestsellerlijsten nog voor ik de prijs won. De prijs is nu een godsgeschenk, omdat het me mogelijk maakt om de Europadiscussie te blijven voeren. Er gaat geen lezing meer voorbij die niet vroeg of laat uitmondt in een politieke discussie over Europa.

Een hoofdidee van uw boek is dat de holocaust de bestaansreden is voor de EU. De Oostenrijkse professor in uw boek stelt daarom voor een nieuwe hoofdstad te bouwen in Auschwitz. Waarom dat karikaturale voorstel? Is dat een techniek om het achterliggende idee beter te verankeren?
Dat Auschwitz aan de basis ligt van de EU staat buiten kijf. Zonder die shock hadden we nooit beseft dat we de nationale staten moeten overstijgen om vrede te bewaren. Aangezien we geen echte hoofdstad hebben in de EU – Brussel mag die titel officieel niet dragen – zou het logisch zijn een nieuwe hoofdstad te bouwen. Eén die verleden en toekomst verbindt en een echte realisatie is van de Europese Unie. Het idee van professor Erhardt is onrealistisch, maar herinnert ons wél aan de motivatie voor Europa. En we moeten onszelf ook echt een nieuwe hoofdstad schenken. Elk rijk of natie heeft dat gedaan.

Dat pleidooi komt er uitgerekend op een moment dat het animo voor meer Europa nogal beperkt is.
Dat zal weer groeien. Met groeiend nationalisme zullen we namelijk geen enkel van de problemen die op ons afkomen kunnen oplossen. Hoe groter de crisis, hoe duidelijker de noodzaak om weer gemeenschappelijk aan politiek te doen: migratiebeleid, terrorismebestrijding,… Hadden de geheime diensten al hun info gedeeld, dan waren de aanslagen in Zaventem en Maalbeek niet gebeurd. Nu wordt tenminste over Europese veiligheidsarchitectuur gediscussieerd.

Het pleidooi van die Oostenrijkse professor is zo’n beetje een sleutelmoment in het boek. Als lezer had ik het gevoel dat de romanfaçade op dat moment wat verdween. Het leek plots alsof de auteur zelf aan het woord was. Is dat zo?
(maakt binnensmonds wat mopperende geluiden). Hij is ouder dan ik.

In één recensie wordt uw boek als een pamflet omschreven, wellicht omwille van die bewuste passage. Akkoord dat het naast een roman ook een pamflet is?
Van 175 recensenten heeft er één geschreven dat het boek geen roman maar een pamflet is. Dat betekent dat die man zeer eenzaam is. Nu moet u ook nog weten wie hij is.

De chef van een Think Tank van de Europese Volkspartij.
Precies. Iemand die nooit iets publiceert en dan plots zo’n onzin. Daarover discussiëren is niet zo boeiend.

Laat ons tot slot even zeggen dat u de baas bent in de EU. Welke maatregel neemt u? Die nieuwe hoofdstad?
Neen. Ik zou de Europese Raad afschaffen en het Parlement en de Commissie versterken. Is dat niet de logica zelve?

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook