reportage

Breda maakt school met intensieve begeleiding kansarme gezinnen

© Saskia Vanderstichele

Gratis opvang en een speelcoach aan huis. Met die en andere maatregelen hoopt de Noord-Brabantse stad Breda de taal- en leerachterstand bij kinderen uit anderstalige en kansarme gezinnen in de kiem te smoren.

Het is bijna middag in voorschool ’t Kuikenhof. Op de speelplaats staan de eerste ouders te wachten om hun kinderen op te halen. Die zitten echter nog in een kring. Een van hen zit in een hogere stoel en heeft een kroon op zijn hoofd. Zijn begeleiders en leeftijdsgenootjes vieren hem met gezang, snoep en een cadeau. Niet omdat hij jarig is, maar omdat hij volgende week vertrekt naar een andere school. Eentje die beter aansluit bij zijn noden op het vlak van sociale ontwikkeling. Achter in de klas kan zijn moeder met de nodige moeite een traantje bedwingen. Tenslotte is dit mogelijk een kantelmoment in het jonge leven van haar zoon.

Bovenstaande anekdote illustreert twee fundamenten van het onderwijsbeleid voor jonge kinderen in Breda. De Noord-Brabantse stad zet heel hard in op ouderbetrokkenheid en probeert met begeleiding op maat kinderen met een risico op taal- of leerachterstand vooruit te helpen.
De aanpak is onlangs geroemd door de Nederlandse onderwijsinspectie en in september trok ook een Brusselse onderwijsdelegatie naar Noord-Brabant op initiatief van CD&V (zie kaderstuk). In het kielzog van de partij waren ook vertegenwoordigers van Kind & Gezin, het (katholiek) onderwijs en de kinderopvang aanwezig.

Dat wij uitgerekend bij onze noorderburen gaan kijken naar peuter- en kleuteronderwijs is opmerkelijk. In Nederland begint de school traditioneel pas op 4 of 5 jaar. Tot dan zijn ouders er aangewezen op crèches, die doorgaans nog een pak duurder zijn dan in België, en peuterspeelzalen. “Wij hebben altijd opgekeken naar het progressieve systeem in België, waar iedereen naar school gaat vanaf 2,5 jaar,” vertelt voorschoolcoach Martine Breugelmans wanneer we zelf op bezoek zijn in Breda.

Maar de afwezigheid van algemeen kleuter- onderwijs betekent tegelijk ook dat er ruimte is voor nieuwe initiatieven. Zo heeft het gemeentebestuur van Breda samen met Kober, de Nederlandse tegenhanger van Kind & Gezin, een netwerk van zogenaamde voorscholen uitgebouwd. Die zijn vooral bedoeld voor kinderen uit gezinnen met risicokenmerken voor taalachterstand of leermoeilijkheden. “Voor hen is de voorschool gratis, anderen moeten een bijdrage betalen,” zegt Breugelmans.

Om te bepalen voor wie dergelijk voorschools traject nuttig kan zijn, kunnen ze in Nederland terugvallen op het consultatiebureau. Naast de medische begeleiding van kersverse ouders peilt de jeugdverpleegkundige ook naar psychosociale en andere factoren die een invloed kunnen hebben op de opvoeding. Anderstalige of kortgeschoolde ouders krijgen extra aandacht en worden aangemoedigd om hun kinderen naar de voorschool te sturen.

In die voorschool kunnen kinderen tussen 2,5 en 4 jaar gedurende drie halve dagen per week terecht. De begeleiders leren ze spelen met elkaar en stimuleren hun taalontwikkeling via voorlezen, zangmomenten en thematische woordenschat. De spel- of knutselactiviteiten dienen ook om de ontwikkeling van de kinderen op te volgen. “We doen hier niets zomaar,” aldus Breugelmans. “Elke begeleidster is verantwoordelijk voor maximaal acht kinderen en observeert hun taalontwikkeling, de evolutie van hun sociale vaardigheden of de mate waarin ze zelfredzaam worden.”

De observaties worden opgenomen in een informaticasysteem dat ook heel wat scholen gebruiken. Als de achterstand in een bepaald domein niet kan worden ingehaald, wordt uitgekeken naar begeleiding op maat of worden de kinderen doorgestuurd naar een bijzondere onderwijsinstelling. De grote meerderheid van de kinderen kan echter doorstromen naar het algemene onderwijs.

Thuisbegeleiding
Meer nog dan de voorschool springt de thuisbegeleiding in het oog. Vanaf de eerste levensmaanden van hun kind krijgen ouders in Breda regelmatig bezoek van consulenten, begeleiders, vrijwilligers of studenten pedagogiek in hun stageperiode. Vrijwilligers installeren een voorleesritueel, de stagiaires leren de ouders spelen met hun kinderen.

“Die dingen zijn misschien vanzelfsprekend voor u en mij, maar dat is niet zo voor sommige gezinnen die zich hier nog niet echt thuis voelen,” vertelt Josien Schoufour van Kober. “We hebben momenteel heel wat Syrische vluchtelingen. Hun kinderen hebben nog nooit speelgoed gezien. We leren die ouders hoe ze de ontwikkeling van hun kind kunnen stimuleren via spel.”

Het binnendringen in de intimiteit van het gezin is naar Belgische traditie helemaal niet evident, maar volgens Schoufour is het net de sleutel tot het succes van de aanpak in Breda. “Het is makkelijker om ouders mee te krijgen in hun vertrouwde thuisomgeving dan op school. Zo bereiken we honderd procent van onze doelgroep.”
 

© Saskia Vanderstichele

Paul Delva (CD&V): "We moeten de gezinnen veel vroeger gaan opvolgen"

Kunnen we in Brussel nog iets leren van Breda? Ja, heel wat volgens parlementslid Paul Delva (CD&V), maar hij benadrukt wel dat ons schoolsysteem zeker niet op de schop moet. “We willen ons kwalitatief kleuteronderwijs niet vervangen door hun systeem van voorscholen,” klinkt het. Tegelijk stelt Delva echter vast dat een kleine minderheid van Brusselse kinderen niet regelmatig naar de kleuterschool gaat, of zelfs helemaal niet. Dat kan omdat er geen leerplicht is, maar het ondermijnt vaak de latere school-carrière, zo blijkt uit onderzoek. Bovendien vertonen veel kinderen uit anderstalige en weinig geschoolde gezinnen al voor de kleuterklas een achterstand, bijvoorbeeld omdat ze om financiële of andere redenen niet naar de crèche gingen.

“Om die kinderen te helpen zouden we op basis van bijvoorbeeld de GOK-indicatoren (verwijst naar het decreet Gelijke Onderwijskansen, red.) een traject kunnen aanbieden zoals in Breda,” zegt Delva. “Daarbij moeten we de gezinnen nog veel vroeger gaan opvolgen. De kennismaking met Kind & Gezin zou al voor de geboorte kunnen gebeuren. De eerste weken en maanden na de geboorte kunnen er dan meerdere contacten volgen, niet alleen voor de medische opvolging, maar ook om gezinnen te begeleiden rond taalontwikkeling en leren spelen. Bij ouders thuis gaan ligt misschien niet in de stijl die we in ons land gewoon zijn, maar Breda leert ons dat het kan lonen.”

Daarnaast onthoudt Delva ook de goede samenwerking tussen de verschillende actoren in Breda. De uitwisseling en samenwerking tussen jeugdverpleegkundigen, lokale besturen, de kinderopvangsector, pedagogische opleidingen en het onderwijs kunnen zeker nog efficiënter.
Tegelijk ziet Delva initiatieven die in de goede richting gaan, zoals Baboes, ontmoetingsplaatsen waar opvoedingsondersteuning, kinderopvang en buurtwerk samenkomen, of het Huis van het Kind Brussel, waar partners in gezinsondersteuning samengebracht worden in lokale netwerken. “Die sterke inspanningen moeten we volhouden en uitbreiden,” aldus Delva. “We moeten in Brussel durven blijven zoeken naar methodieken waarbij we de gezinnen die het meest baat hebben bij een betere begeleiding kunnen bereiken. Zelfs als dat betekent dat we als gemeenschap uit onze eigen comfortzone moeten treden, ten voordele van de ontwikkelingskansen van onze jonge Brusselaars.”

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over

Nieuws uit Brussel in je mailbox?