Interview met Maria Gilissen, weduwe van Marcel Broodthaers

'Broodthaers onomwonden' zet een van de belangrijkste Belgische naoorlogse kunstenaars weer volop in de belangstelling. Hij ging de geschiedenis in als dichter, plastisch kunstenaar, cineast. Maar wie was deze raadselachtige, charismatische man uit Sint-Gillis? Wie was de mens achter de legende? Maria Gilissen leefde en werkte vijftien jaar met hem. Een tipje van de sluier.

"Ik kwam uit Zuid-Limburg en was voor de eerste keer in Brussel, op die 21ste maart in 1961," zegt Maria Gilissen (geboren in 1938). "Ik ging met een vriendin naar een café, waar ze een afspraak had met de dichters Marcel Boogaerts en Radamir. Hij kwam daar voorbij en ze riepen hem binnen, maar hij wilde niet. Pas toen ze beloofden hem maar één minuutje van zijn tijd te beroven, kwam hij. Zo heb ik hem ontmoet."

"Het eerste wat me aan hem opviel, was zijn fysieke verschijning: een knappe en rijzige man, de mensen draaiden hun hoofd om hem te zien. Hij had een bijzonder cachet; soms dacht men dat hij een zwerver was, anderen zagen in hem een aristocraat... Hij was niet in een vakje te stoppen. Een echt Zinneke ook, geboren uit een Vlaamse vader en een Waalse moeder. 'Je suis de la culture française et j'ai le caractère flamand,' zo zei hij het."

"Ik sprak geen woord Frans. Maar die eerste nacht vertelde hij me urenlang, over zichzelf, of over het leven, ik weet het dus niet. Maar ik zei blijkbaar telkens op een goed moment: 'Oui oui.' Alsof we elkaar toch op een andere manier begrepen. Het ongelooflijke is dat hetzelfde is gebeurd op het einde van zijn leven. Toen hij stervende was, wilde hij me ook nog van alles zeggen, maar ik kon hem niet meer verstaan. En toen zei ik ook weer: 'Oui oui' (glimlacht)."

"De vrouwen met wie hij geleefd had, vertelden me dat hij onmogelijk was om mee te leven, maar voor mij was hij dat niet. Soms was het moeilijk, ja. Vooral de eerste jaren hebben we enorme armoede gekend. Nog voor ik wakker werd, had ik in mijn onderbewustzijn al bedacht hoe we die dag aan eten zouden geraken. We hebben echte miserie gezien - en dat in de voor de meeste mensen zeer welvarende periode van de vroege jaren 1960. Maar hij heeft nooit of te nimmer geklaagd. Hij deed wat hij moest doen, en ik heb hem daarin gesteund. Al geef ik toe dat ik in het begin toch wat vragen had bij zijn gedichten, ze leken me op het eerste gezicht ouderwets. Maar dat was achteraf gezien toch ook een misvatting. Op een bepaald moment is hij delen van de teksten van de bundel Pense-bête met gekleurde stukjes papier beginnen te beplakken, waardoor het plastisch werd. En zo heeft hij op een gegeven moment het laatste nog onverkochte pakket van die dichtbundel in gips gezet. Dat betekende zijn 'doorbraak' in de wereld van de beeldende kunsten."

"Aanvankelijk was hij heel bedrijvig als dichter, hij schreef twee tot vier uur per dag. Na een tijdje is dat sterk afgenomen, al is hij in zekere zin altijd een poëet gebleven. Hij was een poëtisch beeldend kunstenaar, zijn hele oeuvre is in feite poëzie."

Mosselen
"Humor was cruciaal voor hem. Ik herinner me dat ik ooit voor een groot beeldend werk met mosselen een bestelwagen moest huren, om het te vervoeren naar een tentoonstelling. Toen ik terugkwam, vroeg hij: 'En wat heeft de chauffeur gezegd? Heeft hij gelachen? Was hij geamuseerd?' Hij heeft het me nooit meer opnieuw gevraagd, maar het frappeerde me toch. Hij informeerde bijvoorbeeld niet naar de reacties van de mensen van de kunstgalerie zelf. De eerste laag van kunst was voor hem vaak 'het amusante', en nadien vielen er natuurlijk vele andere betekenislagen te ontdekken."

"Hij was ook een groot pedagoog, maar wel op een indirecte manier. Het allerbelangrijkste was dat je de vragen en inzichten zelf op het spoor kwam, en dat heeft hij zowel in zijn leven als in zijn kunst altijd waargemaakt. Daarom ook ben ik nu bijvoorbeeld heel erg geïnteresseerd in auto-heling, in auto-psychoanalyse ook. En dat ik kinderen in Peru en Cambodja leer om zichzelf en de aarde te helen."

Herinneren
"Toen ik hem ongeveer twee maanden kende, hoorde ik hem op een moment uitroepen: 'Mon dieu, elle n'a pas de mémoire!' En dat klopte, want ik had mezelf getraind in het vergeten. Ik wilde me niet graag mijn kindertijd en mijn moeder herinneren. Heel geleidelijk is hij begonnen met mijn dorp in Zuid-Limburg te fotograferen, mijn moeder, mijn familie... Hij deed het zonder dat ik het zelf in de gaten had, maar op die manier bouwde hij mijn herinnering opnieuw op. Met al dat fotomateriaal over mijn jeugd heb ik dan na zijn dood een boek samengesteld. En zo ging het ook met zijn kunst: op een indirecte, vaak speelse manier wilde hij de mensen tot meer bewustwording brengen. Hoeveel werken heeft hij niet gemaakt die teruggaan op de geschiedenis en het erfgoed van België? Hij gebruikte mosselen, eieren, de steenkool, de Belgische vlag - allemaal zaken die ons confronteren met onszelf en met ons verleden. En dat maakte, en maakt, zijn werk net zo actueel, denk ik. Je zou zijn kunst kunnen zien als één groot helingsproces voor België."

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Lees meer over

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?