Jan Mulder: 'Als ik Brussel binnenrijd, ben ik gelukkig'

Bijna vierhonderd kilometer is het van zijn thuis, een dorpje in de buurt van Groningen, naar Brussel. Jan Mulder legt de rit zo goed als wekelijks af. Heen en terug. Om commentaar te geven op televisie, maar ook om ex-ploegmaats zoals Paul Van Himst terug te zien en voeling te houden met ‘zijn’ stad.

Van 1965 tot 1972 liep Jan Mulder in de spits bij het grote Anderlecht. De Nederlander scoorde 91 doelpunten en won vier landstitels. “De helft van mijn ploeg is al dood,” mijmert de bijna 72-jarige columnist. “Jean Trappeniers, Jean Cornelis, Martin Lippens, Laurent Verbiest, Wilfried Puis, Jacky Stockman,… Zolang ik kan, blijf ik naar Brussel komen. Voorbij Breda denk ik al: ‘Ik ben er bijna, nog even doorbijten.’”

U komt intussen al meer dan vijftig jaar naar Brussel. Kan de stad u nog verrassen?
JAN MULDER
: Steeds meer. Ik ben dol op Brussel. Ik weet niet echt waarom, al heb ik hier natuurlijk wel een groot deel van mijn jeugd doorgebracht. Ik was 19 toen ik hier aankwam. In zekere zin is Brussel mijn geboorteplaats. En letterlijk die van mijn zonen.
Brussel is een probleemstad, maar dat vind ik net zo aantrekkelijk. Je kunt erop blijven kankeren. Neem nu die tunnels, dat komt niet goed. Ik stoof daar vroeger altijd met mijn autootje door, maar die staan nu echt op instorten. Letterlijk, de stukken vallen eruit. Als ze daaraan moeten werken, wordt deze stad helemaal ontoegankelijk. Het verkeer is nu al een probleem: ik moest onlangs naar een wedstrijd van Anderlecht. Ik vertrok hier uit het hotel in het centrum om halfvijf, en ik was om kwart over zes in het stadion. Gewoon hilarisch is dat. Maar voor alle duidelijkheid: dit is geen gemopper, dit is een liefkozing. Het hoort bij deze stad.

Brussel is vaak moeilijk te begrijpen voor buitenstaanders. Had u dat probleem ook toen u hier aankwam?
MULDER
: Voor mij was het vrij gemakkelijk. Ik had mijn droomtransfer naar Anderlecht gerealiseerd, ik werd daar perfect opgevangen. Ik was geen asielzoeker die de taal niet kent. Gek genoeg komt het Gronings dialect een beetje overeen met dat van het Pajottenland.
Ze begrepen me dus wel, op één of andere manier. Dat schepte een band.
Ik hoor mensen nog altijd graag plat Brussels praten.

Waar woonde u destijds?
MULDER
: In Koekelberg, vlak bij de Basiliek. In die tijd gaven de clubs nog geen riante villa’s cadeau aan hun spelers. Ik kon er wel eentje kopen, maar ik wou liever in een appartement wonen. Dat woord alleen al vond ik schitterend. Ik kwam uit het verre Groningen naar de stad, ik wou hoog boven de stad kunnen uitkijken. Nu heb ik daar wel spijt van: je kon toen nog voor een habbekrats van die art-nouveauhuizen kopen in de Europese wijk of aan de Louizalaan. Schitterende huizen, maar toen zag ik die niet staan.

Als u nu naar Brussel komt, zoekt u dan nog nieuwe plekken op of gaat u naar vertrouwde locaties?
MULDER
: Wel, ik heb me de jongste jaren laten leiden door een boekje van Marc Didden, Een gehucht in een moeras. Fantastisch boek, echt een bron van genot. Alleen door het te lezen word je al helemaal ondergedompeld in Brussel. Naar aanleiding van zo’n hoofdstukje ga ik weleens naar Sint-Gillis of Schaarbeek. Vroeger dacht ik dat het daar niet pluis was, maar Marc Didden wijst me er dan op dat het daar net heel leuk kan zijn. De liefde voor de stad spat echt van de pagina’s.

Hebt u de indruk dat u Brussel echt kent?
MULDER
: Niet echt goed. Maar ik heb hier wel zeven jaar intensief gewoond, was een fervent restaurantganger en dook na een wedstrijd weleens het nachtleven in. Zo leer je ook wel wat kennen.

Deden uw ploeggenoten dat ook?
MULDER
: Nee, neem nu mijn land- en ploeggenoot Robbie Rensenbrink: een goede speler, maar die ging nooit de stad in. Die kende alleen maar Groot-Bijgaarden. Dat vond ik zonde van de tijd. Mij hadden ze geen huis in de Rand moeten aanbieden. Ik vond het heerlijk toen ik voor het eerst naar Brussel kwam, met de auto langs de A12. Die heuvels die je dan zag opdoemen, met nog niet zoveel flatgebouwen erop: Brussel zag er echt fantastisch uit. De stad is veranderd, maar het gevoel is nog hetzelfde. Als ik Brussel binnenrijd, ben ik gelukkig.

Jan Mulder 3 BRUZZ 1566
© Saskia Vanderstichele
Moest u continu handtekeningen uitdelen als u op restaurant zat?
MULDER
: Nee, het viel toen wel goed mee met het stardom. Ik kon redelijk anoniem in het restaurant zitten. Wel veel meisjes van me moeten afslaan natuurlijk (lacht). De roem was in die tijd vrij betrekkelijk hoor. Anderlecht was wel een topclub, maar de gemeente Anderlecht was toch heel verschillend van Brussel. Ik speelde vier keer kampioen met Anderlecht, maar ik heb nooit met een beker op de Grote Markt van Brussel staan zwaaien. Wij hadden een optocht naar het gemeentehuis van Anderlecht, waar Henri Simonet burgemeester was. Anderlecht wordt altijd geassocieerd met Brussel, maar het publiek komt van elders. Brussel is naar mijn gevoel niet echt een voetbalstad.

Wat zegt u tegen landgenoten die niet moeten weten van Brussel?
MULDER
: Dat ze even moeten doorbijten. Nederlanders hebben de neiging om bij Antwerpen te stoppen. Dat komt ook door de vrees voor de Franse taal. Als je hier Nederlands spreekt, beginnen ze soms in het Engels.

Spreekt u Nederlands in Brussel?
MULDER
: Nee, ik vind die claim van Vlamingen om van Brussel een tweetalige stad te maken nogal absurd. Er wonen hier 50.000 Vlamingen, en een miljoen Frans- en anderstaligen. Ik spreek graag Frans, ik vind het een leuke taal. Hier vlak bij het Muntplein was eens een feestje voor de Vlaamse feestdag, veel te nadrukkelijk allemaal. Spreek Frans in Brussel, wat maakt het je uit? Laat staan dat we over een afscheiding zouden spreken. België doormidden delen? Laat maar zitten. En je moet Vlaanderen al helemaal niet bij Nederland gaan voegen.

Voelt u tegenwoordig nog de spanning als u naar een voetbalwedstrijd kijkt?
MULDER
: Totaal niet. Als Anderlecht speelt, hoop ik dat ze winnen, maar eigenlijk maakt het me niet echt uit. Ik ga zelden nog in het stadion kijken. Ik ben een columnist, een schrijver, ik zie het allemaal veel beter als ik via tv kijk. Maar ik mis de sfeer van een vol stadion soms wel.

Waar vond u de beleving het mooiste?
MULDER
: (gedecideerd) In het Astridpark. Gevoelsmatig zal dat altijd zo blijven. Ik heb er gespeeld toen je nog echt in het park speelde, je kon de bomen achter het doel zien staan. Nu is het zo’n dertien-in-een-dozijnstadion, maar het ligt wel nog op dezelfde plek. Ik rijd er nog graag naartoe. Eerst in de buurt errond, en dan de Theo Verbeecklaan inrijden, dat voelt als thuiskomen. Heel veel clubs bouwen nieuwe stadions langs de snelweg en ver van de stad. Maar die achterban, die omgeving, die ben je kwijt. Let op, die moderne stadions kunnen ook wat hebben, maar dat mooie, zachte verleden en heden tegelijk is weg. Het is veel meer een soort verzekeringsgebouw. Liefst nog met de naam van een bank of een automerk erop.

Klinkt een beetje als het Eurostadion dat men hier wil bouwen…
MULDER
: Ach ja, ik snap dat Anderlecht op een gegeven moment moest nadenken over een nieuw en groter stadion. Dat ze er nu even zijn uitgestapt, lijkt me vooral tactiek. Maar ik vind het best zoals het nu is, van mij mogen ze gewoon in Anderlecht blijven. Als Anderlecht ergens anders speelt, dan valt er toch heel groot stuk van mijn band met de club weg.

Hoe zou u uw huidige band met Anderlecht omschrijven?
MULDER
: Ik kom er nog regelmatig en loop dan Michel Verschueren tegen het lijf. Hij is al een eeuwigheid met pensioen, maar toch heeft hij daar nog ergens een bureautje. Als hij mij ziet, roept-ie ‘Eighty-five!’, als verwijzing naar zijn leeftijd. ‘Gefeliciteerd Michel,’ zeg ik dan.
Mensen zoals hij, Paul Van Himst en ikzelf ook wel, dat zijn toch wel een beetje bewaarders van de geschiedenis. Voetbal is traditie, en het is leuk dat dat een klein beetje in de hoofden blijft.

Sommige supporters vinden dat Anderlecht zijn huisstijl verloochent. Paars-wit werd altijd geassocieerd met techniek, en Club Brugge, dat waren de vechters. Is dat verschil vervaagd?
MULDER
: Er zit wel iets in, maar dat kun je niet echt verloochenen noemen. Dat hangt ook gewoon af van de kwaliteit van de spelers. En soms valt het best nog wel mee: ik was vorige week op Anderlecht (in de Europa League tegen Apoel Nicosia, red.), en dat was een halfuur lang weergaloos mooi voetbal hoor. Hanni en Tielemans bijvoorbeeld zijn goeie, pure Anderlechtspelers. Niet wanhopen, zeg ik dan.
En het voetbal is sowieso enorm veranderd: je kunt niet meer alleen met oogstrelende passes met buitenkantje-voet strooien, zoals Van Himst en ik dat deden. Het gaat veel te snel en het is vooral veel te hard geworden. Je moet snel omhoog springen of je bent een been kwijt. Het is bijna misdadig.
Het is een totaal hysterische sport geworden. Dat komt door de commerciële belangen die op het spel staan, en door de slechte arbitrage. En je kunt het de scheidsrechters niet eens verwijten, want het gaat gewoon veel te snel om het nog goed te kunnen volgen. Deze sport zou geholpen worden door een grote schoonmaak: alles weer volgens de spelregels.

Hoe zat het met uw technische bagage? Was de spits Jan Mulder eerder een pianospeler of een pianosjouwer?
MULDER
: Toch eerder een pianospeler. Maar geen Chopin, eerder harde rock (lacht).

Zou u meekunnen in het huidige Anderlecht?
MULDER
: Gemakkelijk! Me niet gaan beledigen (lacht). Ik was een type Teodorczyk: doelpunten maken, dat is het enige dat telt in het voetbal. Niet dat ik alleen tevreden kon zijn als ik zelf scoorde: mijn vrouw en ik waren op de eerste plaats supporters. Ik speelde voor RSCA, niet voor mezelf. Zo’n type clubspelers bestaat ook niet meer, sinds het allemaal zo commercieel is geworden. Ik at in het stadion, ik kende de vrouw die het eten maakte, ik kende heel veel supporters en zat altijd in het café tegenover het stadion, van oud-doelman Henri Meert. Als we verloren, was ik triest voor die mensen en voor mezelf. Dat bestaat niet echt meer. Maar ik begrijp het wel: als ik 15 miljoen euro per jaar zou verdienen bij Manchester City, zou ik ook wel tevreden in het leven staan.

Jan Mulder

  • geboren op 4 mei 1945 in Bellingwolde (Groningen)
  • tekent in 1965 een contract bij RSC Anderlecht. Hij blijft er tot 1972
  • speelt vanaf 1972 voor de Amsterdamse club Ajax
  • wordt in 1975 door een knieblessure medisch afgekeurd
  • sinds 1978 columnist
  • veel gevraagd voetbalanalist
Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over

Nieuws uit Brussel in je mailbox?