Marcel Celis over 35 jaar monumenten- en landschapszorg

Rond Allerheiligen verhuist Marcel Celis naar het paradijselijke Finland. Zijn pensioen komt hard aan op de Vlaamse erfgoedadministratie en bij de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Een harddisk van 35 jaar ervaring in monumentenzorg wordt gewist. Hoog tijd om het te hebben over politieke beslissingen, lobbywerk, maar vooral geslaagde restauraties.

M et een diploma kunstgeschiedenis en oudheid op zak ging Marcel Celis op 16 juli van het 'Europese Monumentenjaar' 1975 aan de slag bij de toenmalige Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Die hing af van het ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur, onder toenmalig CVP-minister Rika De Backer. "Ze zochten mensen om de dienst leven in te blazen," zegt Celis. In 1970 hadden de gemeenschappen, door een grondwetswijziging, culturele autonomie gekregen. De Koninklijke Commissie voor Monumenten - 'Landschappen' kwamen er later bij - was al in 1968 opgesplitst in een Nederlands- en een Franstalige poot, beide bevoegd voor Brussel; pas in 1993 kwam er een afzonderlijke Commissie voor het Brussels Gewest. Sinds 1989 is monumenten- en landschapszorg een gewestmaterie.

Hoe staat erfgoedzorg ervoor, in deze budgettaire crisistijden?
Marcel Celis
: "Wat er ook beweerd wordt: er is nog altijd veel geld voor restauratie. Alles draait rond de keuzes die gemaakt worden, die gemaakt moeten worden. De belangrijkste keuzes worden altijd door de maatschappij gedragen. Die maakt zich zorgen over wat verloedert of dreigt te verdwijnen. En dan worden er mensen met beter inzicht aangesteld om de aandacht te verantwoorden. Zoals de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML)."

Wanneer ging de overheid zich echt interesseren voor erfgoedzorg?
Celis
: "Monumentenzorg, nu erfgoedzorg, is een vrij recent begrip. Het begon met de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML), die nu haar 175ste verjaardag viert. Toen ze in 1835 werd opgericht, was het de eerste commissie in haar genre in de wereld. Pas toen begon men achterom te kijken, al waren er precedenten in Engeland en Frankrijk. Tot dan werd er 'hedendaags' gebouwd: kijk maar naar onze stadhuizen, zoals dat van Gent, met een gotisch stuk en een classicistisch stuk. Elke periode had haar bouwstijl. Mogelijk is men gaan beseffen dat de Franse Revolutie veel kostbaar kerkelijk erfgoed had doen verdwijnen. Het leidde tot een inventaris van monumenten en het adviseren bij restauratie. Pas in 1931, bijna honderd jaar later, kwam er een wet die het mogelijk maakte dat erfgoed te beschermen."

Is alles wat vandaag wordt gebouwd, morgen erfgoed?
Celis
: "Virtueel gezien wel. Alles wat gebouwd, gedaan en geschreven wordt, is meteen 'geschiedenis'. Van niets kunnen we vandaag zeggen of het morgen het behouden waard is. Toch zie je meestal al meteen bij de bouw of iets een waar meesterwerk zal blijken. Ik herinner me in Watermaal-Bosvoorde (waar Celis een kwarteeuw woonde, red.) dat de bouw van Glaverbel (Terhulpsesteenweg 166), van Braem en Jacqmain, al tijdens de constructie alom omschreven werd als 'een monument'. Terecht, bleek achteraf. Aan de overkant werd CBR gebouwd met de typische tv-raampjes, als eerste voorbeeld van voorgegoten cementblokken."

Er zijn toch ook voorbeelden van foute inschattingen?
Celis
: "Uiteraard. Eén voorbeeld. Als jonge verslaggever van de KCML, onder Renaat Braem, volgde ik de besprekingen over de bescherming van de drukkerij Le Peuple in de Sint-Laurensstraat 36, een ontwerp van Maxime Brunfaut. Braem vond het allemaal rommel. Intussen is het pand tot erfgoed verheven en heeft het een interessante nieuwe bestemming gekregen."

Wat kan van erfgoed een 'interessant dossier' maken?
Celis
: "We hebben decreten in Vlaanderen en Wallonië en ordonnanties in Brussel, allemaal met criteria die bepalen waaraan onroerend erfgoed moet voldoen om beschermd te worden. Historische, artistieke en wetenschappelijke waarden moeten precies worden ingevuld. Daarbij komen nog de spelregels van de administratie, die moet argumenteren. Dan volgt de KCML. Maar uiteindelijk beslist de politiek over de zaak, met nóg weer andere criteria."

"Naast de cultuurhistorische waarde zijn maatschappelijke en financië­le aspecten geen evidente elementen voor een bevoegd minister om rekening mee te houden. Het beschermen van een complex als Flagey of het appartementsblok van Eysselinck aan de De Meeûssquare houdt nu eenmaal zware consequenties in voor de eigenaars. Het spreekt voor zich dat dergelijke maatschappelijke gevolgen voor stormen kunnen zorgen. Bijgevolg komt er weleens lobbywerk op politiek niveau aan te pas: eigenaars willen iets graag - of juist helemaal niet - laten beschermen, of ze willen subsidies krijgen. Ik vind dat normaal."

U vindt het normaal dat er over erfgoed gelobbyd wordt?
Celis
: "Laat het me zo zeggen: ik vind het niet abnormaal of ongewoon dat een bouwheer of eigenaar contact zoekt met beleidsverantwoordelijken - uiteraard voor zover er geen misbruiken gebeuren. Een ambtenaar zal nooit appreciëren dat een beschermingsdossier doorkruist wordt door persoonlijke of politieke aangelegenheden. Maar al bij al is het niet onze verantwoordelijkheid, en bovendien ben ik in 35 jaar tijd amper flagrante misstanden tegengekomen. Al blijft het slopen van de Koninklijke Stapelhuizen in Antwerpen een betreurenswaardige politieke beslissing."

Ergert een ambtenaar zich aan alle structuren die hun zeg hebben over erfgoedzorg?
Celis
: "Die frustraties komen zowel voor in het Brussels Gewest, in Wallonië als in Vlaanderen. Neem nu de eclectische en neogotische stijl in Brussel, die van meet af aan mijn aandacht trok. Mede dankzij de vzw Sint-Lukasarchief, die er als eerste aandacht voor vroeg, en een volwaardige gesprekpartner was voor de administratie, met zijn grote documentatiecentrum. Ik vermoed dat de Franstaligen in Brussel lange tijd minder oog hebben gehad voor die bouwstijlen door het Nederlandstalige karakter van het Sint-Lukas­archief, dat hierop focuste. Alles draait nu eenmaal ook om personen. Franstaligen focus(t)en zich op de gotiek, de klassieke stijlen, de negentiende eeuw en de art nouveau. Daartussen lieten ze een vacuüm. Nu is dat geëvo­lueerd, maar het vergde indertijd veel tijd en tussenkomsten als Vlaamse ambtenaar."

Botst het dan tussen Brussel en Vlaanderen?
Celis
: "Ik heb me enorm geërgerd, en nog, aan de vroegste beschermingsmaatregelen van de huidige Directie Monumenten en Landschappen van het Brussels Gewest. Hun uitgangspunt was: alleen wat waardevol is - en als dusdanig beschreven - moet worden beschermd. Het bleek ingegeven door juristen. Karikaturaal gezien betekent dat: als van een gebouw alleen de deurklink waardevol is, bescherm dan die deurklink en niets anders. Dat leidde tot waanzinnige situaties waarbij van een huis de voorgevel en het dak beschermd werden, terwijl pas bij de restauratie bleek dat ook de binnenruimten interessant waren. In Vlaanderen is al sinds de jaren 1970 het uitgangspunt: we beschermen een gebouw, en niet een deel. De bescherming geldt dan voor de negentiende-eeuwse pastorie of het art-nouveaupand met de interessante traphal. Pas in het geval van restauratie herevalueren we de interessantste onderdelen, en wordt in bepaalde aspecten van het geheel tussengekomen."

Welke gebouwen vindt u geslaagde dossiers?
Celis
: "De grondige restauratie van het Cauchiehuis, net als het Hannonhuis in Sint-Gillis. Echt gelukt. Waar ik me als betrokkene gelukkig bij voelde, is bij de restauratie van de Concert Noble, rond 1980. Deze feestzaal voor de adel en rijke burgerij, van de hand van Henri Beyaert, was verloederd. Maar de beschermingsprocedure kruiste een bouwaanvraag van Groep Planning, wat tot overleg dwong. We kwamen overeen dat we het zaalcomplex konden behouden, maar de oprit en hal gaven we op. Daarop mocht een karakteristieke nieuwbouw komen - een goede realisatie, overigens. Een deel van het compromis was ook dat de zaal werd gerestaureerd met kleuronderzoek, aankleding met draperieën, alles à l'authentique. Dit soort compromis zou men vandaag misschien niet meer maken, maar het was dat of niets."

U 'ontdekte' ook het paleis van Keizer Karel...
Celis
: "De ondergrondse paleisresten stonden bekend en verspreid beschreven. Toen het voormalige Rekenhof bouwplannen had voor een parkeerterrein, kroop ik in de kelders. Ik zag er gotische gewelven boven archiefrekken. Ik signaleerde aan de KCML dat we dit verder moesten onderzoeken. Nadien heeft Brussel-Stad een onderzoek aangevraagd, omdat de Stad de kelders van het Huis van Grimbergen beheerde. Ook het Huis De Lalaing-Hoogstraeten ben ik met een archeo­loog gaan onderzoeken. Doordat iedereen in Brussel oog had voor de eisen en de adviezen, is in amper twintig jaar tijd heel de site blootgelegd en toegankelijk gemaakt."

En buiten uw uren stak u in Epitaaf een kwarteeuw energie.
Celis
: "We waren met de vzw Epitaaf bij de allereersten in België die aandacht vroegen voor funeraire archeologie en grafkunst. Een teken des tijds, waardoor we toch bereikten dat er een documentatiecentrum kwam in het grafbeeldhouwersatelier Salu in Laken. We spiegelden ons aan initiatieven zoals een vzw die het Londense Highgate Cemetery had opgekocht en het ging beheren als romantisch 'verwilderd' funerair park. Nu komt men terug van die 'inpalming door de natuur' op begraafplaatsen; een naar voorbeeld zien we nog bij het Kerkhof van de Dieweg in Ukkel."

"Met Epitaaf hebben we ons geconcentreerd op Brussel en Vlaanderen. Een erfgoed dat in de jaren 1970 totaal miskend werd, is dankzij de publicaties en rondleidingen van Epitaaf belangrijk geworden. Zoveel jaren later zijn rondleidingen op begraafplaatsen een vast gegeven geworden bij tal van toeristische organisaties en gidsenverenigingen. En de aandacht is ook doorgedrongen bij de meeste gemeentebesturen. Tal van begraafplaatsen zijn inmiddels beschermd, en niet louter meer omdat ze rond een interessante kerk lagen, maar wel als concept dat vaak voortbouwt op de 'paradijselijk ogende velden' met monumenten zoals Père-Lachaise in Parijs. Het dossier van Sint-Jans-Molenbeek is spijtig genoeg door het gemeentebestuur gekortwiekt tot de grafgalerij, om niet alles te hoeven restaureren. Maar erfgoedzorg vergt nu eenmaal geduld."

Over Marcel Celis

  • geboren in 1950
  • adjunct-directeur Onroerend Erfgoed bij het Vlaams Agentschap Ruimte en Erfgoed
  • Eindredacteur van het tijdschrift M&L (Monumenten en Landschappen) van dezelfde administratie
  • Secretaris van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaams Gewest. Lid van dezelfde Commissie voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Verantwoordelijk voor de Vakafdeling Funerair Erfgoed Vlaanderen
  • Voorzitter-stichter van de vzw Epitaaf
Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?