‘Niemand bekommerd om voortbestaan Brusselse kant’

© Saskia Vanderstichele

De kantwinkel Rubbrecht op de Grote Markt bestaat zestig jaar. Maar in de plaats van feest te vieren, gaat de zaak dicht. Na de sluiting blijft er nog slechts een vijftal kantwinkels over in het centrum. “Als men wil dat de Brusselse kant overleeft, is er politieke steun nodig,” zegt Eline Rubbrecht.

Al een hele poos houdt de kantzaak Rubbrecht uitverkoop. Zakdoekjes, kanten kraagjes en napperons worden in de etalage aangeprezen met kortingen tot zeventig procent. Nog een dikke maand kunnen toeristen en kantliefhebbers hier hun profijt doen. Dan is het afgelopen.
De zaak ging open in 1957. “Een neef van mijn moeder begon ermee,” vertelt Rubbrecht in haar sfeervolle atelier boven de winkel. “Hij kocht en verkocht de kant die gemaakt werd door kantwerksters uit de buurt van Brussel.

Toen mijn ouders de zaak begin jaren zeventig overnamen, drukten ze er hun eigen stempel op. Mijn moeder had ook interesse in antieke kant, ze restaureerde stukken en probeerde tegelijkertijd de kanttechniek te vernieuwen, door bijvoorbeeld te werken met kleuren of ingewerkte gedroogde bloemen.” Vernieuwen was nochtans niet makkelijk, omdat de meeste klanten uiteindelijk toch voor het traditionele werk kozen.

Tussen de kant geboren
Eline Rubbrecht werd veertig jaar geleden tussen de kant geboren. Als kind woonde ze boven de zaak, met uitzicht op de Grote Markt en het stadhuis. “Ik was van jongsaf geboeid door de kant. Geleidelijk ben ik in het vak gerold.” Rubbrecht runde de zaak een heel aantal jaren samen met haar moeder.

Los van de winkel ondernamen ze ook artistieke projecten. “We hebben samengewerkt met stylisten en interieurarchitecten. Met badenproducent Aquamass hebben we ooit zelfs een badkuip gemaakt waarvan de rand bekleed was met een print van kant.”
Rubbrecht leerde ook patroontekenen. “Vroeger was dat een echt vak, je was patroontekenaar. Tegenwoordig doet één van de kantwerksters het meestal. Maar om ervoor te zorgen dat er voldoende variatie is, ben ik zelf patronen gaan ontwerpen.”

Nu haar moeder zich na 44 jaar uit de zaak terugtrekt, stopt Rubbrecht met de winkel. “De productie én de winkel, dat is te veel voor één persoon.” Ze geeft toe dat het ook steeds moeilijker wordt om je brood te verdienen met een kantwinkel. “Mijn ouders hebben de mooiste jaren gekend.”

Toeristen houden nog steeds van kant, zegt Rubbrecht, maar de gemiddelde Belg vindt het oubollig. “Kant is voor hen het stoffige kleedje onder de vaas van oma. Terwijl het zoveel meer is. Ze kennen het gewoon niet.” Rubbrecht haalt een kanten bloemetje uit een van de laden die volgestouwd zijn met oude patronen, fijne draden en waardevolle stukken antieke kant. “Ze snappen niet hoeveel tijd hierin gegaan is, ze hebben geen waardering voor handenarbeid.”

Gelukkig zijn er altijd nog de kenners, die de waarde van kant inzien en ook willen betalen voor een exclusieve blouse of een kanten bruidssluier. Zo’n bruidssluier kan tweehonderd tot vijfduizend euro kosten.

Internet
De winkel had recentelijk ook te lijden onder de lelijke stellingen die maandenlang de gevels van de huizenrij bedekten om de renovatie mogelijk te maken. Voorts waren er de aanslagen die de toeristen een hele tijd weghielden uit de stad. “Onze winkel is zeven dagen op zeven geopend, soms tot tien uur ‘s avonds. Al die tijd moet het personeel betaald worden. Als er dan geen volk komt.”

Ook de invoering van de voetgangerszone was voelbaar tot op de Grote Markt. “De voetgangerszone trekt een ander publiek aan, jonger en met een kleiner budget. Ik heb klanten nodig die geld uitgeven aan iets dat niet noodzakelijk is. Dat type klanten, althans een deel, komt graag met de auto tot vlak bij de Grote Markt. Maar ze moeten hier wel geraken. Ik denk dat de kwaliteitswinkels uiteindelijk zullen verdwijnen uit het centrum.”

Rubbrecht stopt dan wel met de winkel, maar niet met de kant. “Ik blijf ontwerpen en produceren. De goede klanten zullen me via internet wel weten te vinden. Zonder de winkel ga ik ook meer tijd hebben voor artistieke projecten, voor de export en voor de kerkkant.” Rubbrecht maakt al jaren altaarkleden en kanten priestergewaden voor kerken in binnen- en buitenland, zelfs voor het Vaticaan. “Onder de huidige paus is dat wel iets minder, want hij verkiest heel sobere gewaden.”

Ook exporteert Rubbrecht sinds jaar en dag naar landen als Japan, de Verenigde Staten, Dubai en Saudi-Arabië. “Meestal zijn het bestellingen op maat. In de Arabische landen houden ze bijvoorbeeld van tafelkleden met een gouddraad erdoor, hier vinden ze dat kitsch.”

Chinezen
Terwijl het twintig jaar geleden op en rond de Grote Markt wemelde van de kantwinkeltjes blijven er na volgende maand nog maar een vijftal zaken met echte Brusselse kant over. Er zijn nog wel souvenirshops die ‘Brusselse’ kant uit China verkopen. “De Chinezen hebben geprobeerd om met eigen materialen onze kant te kopiëren. Het is ook handmade, maar de kwaliteit is veel minder. Drie keer wassen en er zitten grote gaten in,” zegt Rubbrecht.

De kantwinkels die hun waren wel in eigen land laten maken, hebben steeds meer moeite om kantwerksters te vinden. “Ze zijn met minder en worden ouder. Vroeger was het een echt beroep, aangeleerd van moeder op dochter, tegenwoordig vaak een bijberoep. Een van mijn kantwerksters is politieagent. Je ziet nu ook vaak dat mensen eerst een andere job uitoefenen en pas als ze kinderen hebben, overschakelen op kantwerk. Dat kunnen ze thuis doen.”

Zal de Brusselse kant overleven? Eline Rubbrecht zucht eens diep. “Het kan, op voorwaarde dat er politieke wil is om de sector te helpen. Nu bekommert niemand zich om het voortbestaan van de kant. Ook de musea hebben geen interesse. Zowel het museum voor het Kostuum en de Kant als het Jubelparkmuseum tonen alleen antieke kant, niet de hedendaagse productie. Brussel zou veel chauvinistischer moeten zijn, trotser ook. De stad en het gewest promoten wel bier, wafels en chocolade, maar niet de kant.”
 

Lees meer over

Nieuws uit Brussel in je mailbox?

Lees ook