‘Pendelende scholieren zijn volhouders’

© Ivan Put

Voor het ochtendkrieken kan je het al zien op het openbaar vervoer: het aantal Brusselse scholieren dat richting Vlaams-Brabant pendelt, neemt toe. Vanuit het centrum en het westen van het Brussels Gewest lijkt de keuze voor een school in het Pajottenland - en bij uitbreiding Halle - evident. Om vele en diverse redenen, vertellen de schooldirecteurs. Het Vlaamse taalbad, de witte school of ‘weg van de verleidingen van de grootstad’.

Vorige maand gaf Vlaams onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) mee dat het fenomeen van Brusselse kinderen die in Vlaams-Brabant schoollopen in vijf jaar tijd met dertig procent is gestegen. Een statistisch antwoord op een parlementaire vraag van de Dilbeekse burgemeester-volksvertegenwoordiger. Vooral Dilbeek, in de onmiddellijke Rand, is met bijna een vierde van alle schoolpendelaartjes uit de hoofdstad koploper in instroom.

De bezorgdheid van de overheden gaat over ‘uitdagingen’ waarvoor scholen staan, en ‘extra middelen’ om dat beter op te vangen. Maar hoe percipiëren de schooldirecties het fenomeen? Wat zijn hun ervaringen? Hoe vangen zij de pendelscholier op? Een kijk richting Pajottenland, de dorpen tussen Asse, Ninove en Halle, of van Neerpede tot Pamel (van oost naar west) en van Asse tot Kokejane (van noord naar zuid).

Gestage groei
Een eerste reden van ‘wegloop’ uit de stad is het capaciteitsprobleem van de Brusselse scholen. Daardoor raken ook Vlaamse randscholen overbevraagd. Al gaan er een pak meer kinderen (8.051) uit Vlaanderen naar Brussel, dan omgekeerd (5.560). “Ook bij ons wordt er gekampeerd om in te schrijven,” nuanceert Guido Van Den Cruijce, directeur van Sint-Angela (katholiek secundair onderwijs) in Ternat. “In dat opzicht verschilt het hier niet van Brussel.”

Wel is de groei aan Brusselse leerlingen een vast fenomeen geworden. Van Den Cruijce: “Vorig schooljaar hadden we vijftig leerlingen, die thuis anderstalig zijn, dit schooljaar al tachtig.” De groei lijkt verwaarloosbaar, maar de geografische spreiding van de herkomst van de leerlingen, is een uiting van de demografische evoluties. “In 2004 hadden we drie kinderen uit het Brusselse op een totaal aantal leerlingen van 908. In 2013, 2014 en 2015 een tiental,” stelt Lieve De Smet, directeur van de Sint-Godelieve-instituut uit Sint-Martens-Lennik. “Sinds dit schooljaar 2016-2017 zijn er in onze humaniora op 1.155 inschrijvingen 16 uit Brussel, waarvan meer dan de helft uit Anderlecht. Al blijft het veel minder dan de 29 kinderen uit Edingen en Lettelingen (Henegouwen).”

Voor het Technisch Atheneum in Liedekerke gaat het om acht procent kinderen uit Brussel, “zeer beheersbaar, omdat de groei mondjesmaat gaat”, luidt het daar. Voor Sint-Angela in Ternat gaat het slechts om drie procent, een dertigtal Brusselaars.

Bus en trein
Het openbaar vervoer is een voedingsbodem voor pendelstromen uit de stad. Onder meer het basisonderwijs Sint-Godelieve in Lennik haalt met een schoolbus kinderen op aan de rand van de stad in Vlezenbeek en Sint-Pieters-Leeuw. Met De Lijn (bussen 118, 142. 144 en 160) raakt groot en klein Brussel uit. “Destijds hebben we goed onderhandeld met De Lijn, zodat het busparcours kon worden afgeleid tot de schooldeur,” stelt De Smet. “Een kind kan op de Vismarkt bus 118 nemen tot onze basisscholen en middelbare scholen.”
Ook de vlotte treinverbinding als navelstreng van Brussel naar het Pajottenland draagt bij. Directeur Jethro De Schinckel van het Technisch Atheneum in Liedekerke bevestigt de goede bereikbaarheid dankzij het treinstation op tien minuten van de school, hoewel er nog andere treinhaltes en scholen tussen Sint-Agatha-Berchem en Liedekerke zijn.

Zelfs een complexer traject heeft succes, zo bewijst een school op de Pajotse grens met Oost-Vlaanderen. Het verre Immaculata-Maria Instituut (Roosdaal) ziet sinds een paar jaar Franssprekende kinderen met De Lijn uit het Zuidstation komen, soms via overstap langs Leerbeek (Gooik) - goed voor 23 kilometer gependel uit de stad. “Hierdoor is al eens Frans te horen op de speelplaats, maar dat kunnen we goed in de hand houden,” zegt de directie.

School De Rand 2 BRUZZ 1558
© Ivan Put
Specifieke factoren
Het gegeven ‘platteland’ is ook een aantrekkingspool, en wel om meer dan één reden. Ouders hebben vaak de perceptie dat de negatieve invloeden van de grootstad op de buiten uitgefilterd zijn. Al mogen de achttienjarigen over de middag op straat, wat hebben ze te velde te beleven? “Zonder te zeggen dat een joint niet tot in een Vlaams dorp raakt, weet iedereen dat jongeren zich veel beter zouden kunnen amuseren in een stad,” geeft De Schinckel van het atheneum in Liedekerke mee. “Ouders hebben de perceptie dat hier meer harmonie aanwezig is. De school straalt rust uit, zonder contaminatie en invloeden van de stad, vinden zij.”

“In het algemeen valt er geen patroon waar te nemen, welke Brusselaars hier stranden: het is even goed de Marokkaan als de Vlaamse Brusselaar die zich beter voelt in een meer authentiek Vlaams milieu. Wel is het uniek voor Liedekerke en Denderleeuw dat hier een aanzienlijke zwart-Afrikaanse gemeenschap woont. Die stuurt niet louter de eigen kinderen naar ons. Ze ziet zich zowat als ‘schoolambassadeur’ om ook zwarte kinderen van familie en vrienden uit Brussel aan te zuigen.”

school de rand cover BRUZZ 1558
© Ivan Put
Een stap verder in de aantrekkingskracht is voor directrice Lieve De Smet in Sint-Martens-Lennik de aangeboden ‘zorg’. “Ik heb de perceptie dat het aantal ‘Brusselaars’ dat wij hebben ook afkomt op de ‘zorg’ waarmee wij elk individueel kind omkaderen. Zorg wordt gezien als een ‘traditionele’ schoolorganisatie en schoolcultuur. En soms gaat het nog verder. Ooit kreeg ik van een Turkse moeder letterlijk te horen: ‘Het is nog een witte school, daarom schrijf ik mijn kind hier in.’“

Ook de Nederlandse omgevingstaal kan bij de schoolkeuze voor Vlaams-Brabant doorslaggevend zijn. “Het is onze ervaring dat kinderen uit Brussel zich heel snel aanpassen en behoorlijk goed vorderen met Nederlands, hoewel het soms zelfs hun derde taal is,” verdedigt Gilbert Torisaen, directeur van Don Bosco Halle.

Frans taboe
Dat kinderen Frans praten op de speelplaats kan in de regio in het algemeen niet door de beugel. Overal wordt systematisch ingegrepen, voor de ene school bij het minste, voor de andere na herhaling. Don Bosco Halle werkt met stickers in de schoolagenda. Andere scholen vragen een leerling na drie verwittigingen ‘op gesprek’. “Zonder repressief op te treden, willen we wel dat ze inzien dat Frans spreken hen niets bijbrengt in de school, integendeel,” stelt Torisaen. “Sommige leerkrachten storen zich er meer aan dan andere. Die meertaligheid biedt trouwens werkkansen voor later. Zoals een Griekse oud-leerling, die hier viertalig werd en de school bedankte omdat hij door die talenkennis werk had gevonden.”

In het atheneum van Liedekerke, pakken ze het iets subtieler aan. “We geven mee dat ‘Nederlands blijven spreken’ alleen maar voordelen oplevert als anderstalige en dat de studievorderingen hierdoor optimaler verlopen,” stelt directeur De Schinckel. Een betere integratie moet de kliekjesvorming van het isolement onder Franssprekenden doorbreken. Van Den Cruijce (Sint-Angela Ternat): “Ouders of partners van ouders moeten we nog vaak voor die Vlaamse taalreflex winnen. Het vraagt al inspanningen genoeg van de leerkrachten, dus geven we de ouders mee om kinderen ook in Vlaamse naschoolse activiteiten als een Nederlandstalige jeugdbeweging of sportclub te laten instappen. En zijn we fijngevoelig voor alle beeldspraak van leerkrachten in agenda’s of op rapporten. ‘Je moet een tandje bijsteken’, zal niet iedereen begrijpen.”

“Frans spreken - zo geven we Franstalig vriendengroepjes mee - is zichzelf verstoppen,” zegt Rudi Veyt van de Basisschool Sint-Godelieve in Sint-Martens-Lennik. “Je remt er je vooruitgang mee af en sluit anderen uit.”

Tolken
“De grootste conflicten om de taal hebben we eerder met de ouders. Zij ‘eisen’ soms pertinent om Frans te spreken, zodat de leerling al eens moet tolken. Of er komt een tolk bij. Een last op zich,” zo zucht een directeur.

Het is geen sinecure om als kind vroeg te gaan pendelen, of de ouder nu in de Rand werkt en je meerijdt, en nog minder als je een heel eind openbaar vervoer moet nemen. “Ik zie die evolutie niet als negatief, integendeel,” stelt atheneumdirecteur De Schinckel uit Liedekerke. “Kinderen die hier in een volledig Vlaams milieu willen schoollopen, én daarom afstanden afleggen, doen veel inspanning, als volhouders. Het is niet de Brusselaar die schoolmoe is die dagelijks moeite zal doen om ver naar school te gaan.”

Voor een niet-courante opleiding ten slotte willen Brusselaars zeker investeren in tijd en kilometers. Het bewijs: een zevende specialisatiejaar Verwarmingsinstallatie in Liedekerke. De specifieke vorming die aangeboden wordt, staat hier centraal.
Dat de instroom van Brusselse leerlingen in wezen niet problematisch is, geven alle directeurs graag te kennen. Brusselaars trekken al jaren naar het Pajottenland om er te wonen. Nieuw daarbij zal wel zijn dat een grotere populatie Brusselaars ook daar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over

Nieuws uit Brussel in je mailbox?

Lees ook