Wonen in Brussel: Herman Liebaers, hofmaarschalk

"Ik heb hier alles gedaan, behalve geboren worden. Mijn visie op het hedendaagse Brussel steunt op wat ik van anderen opvang. Het is het beeld van een grootstad zonder de gebreken van mastodonten zoals Parijs en Londen. Veel ambtenaren van de Europese Gemeenschap zijn gecharmeerd door de kwaliteit van het leven in Brussel: een grootstad, die toch gemoedelijk is gebleven, beheersbaar. Zo gecharmeerd dat ze terugkeren om zich hier definitief te komen vestigen. Onder hen veel Fransen, maar ook Nederlanders. Sommige van hen mag ik mijn vrienden noemen." Herman Liebaers (86), ere-hofmaarschalk.

Ik ben het appartement van Herman Liebaers nog niet goed binnen, of hij duwt me een kalender in handen. Met prachtige foto's van de restauratie van het Atomium. "Hij is gemaakt door Wijnand Plaizier, een Brusselse Nederlander, die een interessante winkel heeft in de Spoormakersstraat, vlakbij de Grote Markt. De foto's zijn genomen door Marie-Françoise Plissart. Als lid van de Club van het Atomium kijk ik nu al reikhalzend uit naar het einde van de werken. Ik ben ervan overtuigd dat het resultaat schitterend zal zijn."

Herman mag dan al in de winter van zijn leven zijn, rustig van zijn oude dag genieten is er niet bij. Zijn werktafel is daarvan de getuige: boeken, handgeschreven nota's, referentiewerken. Die noeste werkijver resulteerde in een lijvige turf die in 1998 verscheen: Koning Boudewijn in Spiegelbeeld. In het Frans: Baudouin en Filigrane, Témoinage d'un Grand Maréchal de la Cour, 1974-1981. Met daarin ook een postume brief aan koning Boudewijn, zijn koning. De daaropvolgende jaren spendeerde hij aan het schrijven van een Engelse versie, met enkele andere accenten: Beyond Belgium, Royal and Other Adventures of a Librarian Worldwide.

Willen winnen, kunnen verliezen
Herman staat recht, om een witte Italiaanse Chardonnay van onder de kurk te halen. Het gaat hem enigszins moeizaam af: "Een souvenir aan de jaren dat ik basketbal speelde in Moortebeek. Ik was een verdienstelijk speler, behoorde tot de 15 besten van de eerste Belgische generatie. Een kwalijke val in Molenbeek in 1942, waarbij mijn buitenmeniscus werd gescheurd, heeft echter roet in het eten gegooid. Het is nooit meer goed gekomen, maar toch maakte ik deel uit van de Eerste Nationale Ploeg die in 1945 op het Bockstaelplein tegen een Amerikaans team speelde. Enkele maanden later heb ik nog mijn vrienden vergezeld als journalist voor Het Laatste Nieuws, toen ze hun eerste internationaal tornooi gingen spelen in Praag. Ik geloof ook dat ik steeds sportief door het leven ben gegaan: willen winnen en kunnen verliezen. Ik heb bovendien veel geluk gehad in mijn leven. Marnix Gijsen, die ik heb leren kennen toen ik voor het eerst in New York was, heeft er ooit een stukje over geschreven: Met de helm geboren."

Dat leven vol geluk heeft onze gastheer ontelbare keren naar het buitenland gebracht, maar Brussel is steeds zijn stad geweest. "Ik heb altijd in Brussel gewoond, op twintig maanden na. Mijn vader, mijn moeder en ik zijn alle drie in Tienen geboren. We zijn in Schaarbeek gaan wonen toen ik net geen twee was: een vunzig werkmanshuisje langs de Josaphatstraat. Mijn jeugd was proletarisch: moeder was huismeid, een traditie in haar familie; vader, die nogal vroeg in zijn leven Karl Marx had gelezen, was een van de eerste trotskisten in België. Hij heeft zich later opgewerkt tot secretaris van het syndicaat van de textiel en was ook internationaal actief."

Herman lacht: "Ik herinner me nog goed dat hij me op zekere dag zei: Ik ben Sinterklaas, ik ben diegene die alles gaat kopen voor u. 's Anderendaags ging ik naar school en zei: Ik ben de zoon van Sinterklaas. Niemand geloofde mij, het is uitgedraaid op een stevige vechtpartij: ik één tegen allen, dat kon ik natuurlijk niet halen. Het is ook kenschetsend voor mijn manier van denken: elliptisch."

"Mijn geschiedenis in Brussel begint in 1925 met het verlaten van dat huisje in Schaarbeek toen vader vakbondssecretaris werd. We verhuisden naar Moortebeek, de eerste tuinwijk die was overgewaaid vanuit Groot-Brittannië. Vader had besloten dat ik handenarbeider zou worden en hij stuurde me naar de vierde graad in Anderlecht. Daar heb ik mijn getuigschrift van schrijnwerker gehaald. Daarna wilde hij me aan de Université de Travail in Charleroi inschrijven. De directeur zei echter dat ik te jong was, beter nog een beetje naar school zou gaan en goed Frans leren. Zo ben ik dan in het Atheneum van Brussel beland, in 'de moderne'. Of ik goed of slecht studeerde interesseerde mijn vader helemaal niet. Mijn moeder gelukkig wel."

Modernisering
In 1943 trad Herman Liebaers - afgestudeerd in Gent als germanist - in dienst in de Koninklijke Bibliotheek. Daar aan de Kunstberg zou hij dertig jaar lang blijven, al leek het aanvankelijk helemaal anders uit te draaien.
"Dat was daar een oude, letterlijk bestofte boel, na een week wilde ik er al weer weg. De eerste baan die ik kreeg was dan ook puur nonsens: ik moest de slechte Franse onderwerpcatalogus naar het Nederlands vertalen. Die was 75 jaar oud, compleet onbruikbaar. Enkele mensen hebben me de raad gegeven te doen alsof en ik heb wijselijk geluisterd. Ik moest ook nog twee jaar studeren om bibliothecaris-bibliograaf te worden, dat was dé reden waarom ik toen ben gebleven."

De oorlog was nog niet gedaan en daardoor ging de grote bibliothecaris die Herman Liebaers zou worden, bijna verloren. "De Duitsers wisten dat ze het pleit aan het verliezen waren en zijn toen mensen beginnen oppakken naar willekeur, in razzia's. De bewoners van Moortebeek vormden een makkelijk doelwit, ze waren allen socialist. Ik werd samen met tien anderen opgepakt. De Duitsers dachten dat ze mijn vader hadden, maar die was toen al lang thuis weg: hij was eruit getrokken om zijn marxistisch ideaal te volgen."

"Ik kwam terecht in Breendonk, waar we als beesten werden behandeld. De dag nadat ik twintig zweepslagen had gekregen van Debodt, de beruchte SS-Vlaming - zweepslagen die ik zelf ook nog eens moest tellen - werd ik overgeplaatst naar Hoei. Het betekende mijn redding; al wie in Hoei zat, heeft het overleefd. Ik heb later zelfs nog getuigd voor de kolonel die daar het bevel voerde, want hij was een mens. Mijn ervaringen zijn me later van pas gekomen bij het staatsiebezoek van de West-Duitse president Heinemann."

"Ik ben altijd flamingant gebleven, maar noemde mezelf een francofiele flamingant. Dat was mijn sterkte in de Koninklijke Bibliotheek, waar ik in 1956 hoofdconservator ben geworden. Samen met mijn tweetalige vrienden heb ik de bibliotheek in de daaropvolgende jaren weer op het rechte pad gekregen, de zo broodnodige modernisering doorgevoerd. Onder mijn mandaat heeft de bibliotheek ook de grootste schenking ooit binnengehaald: het legaat van de weduwe Louis Solvay."

"Ik heb tevens het grote geluk gehad zestien jaar in het penthouse boven de bibliotheek te mogen wonen. Huur, gas of elektriciteit moest ik niet betalen, ik genoot van een fenomenaal uitzicht op de stad. Ik beschouwde het dan ook als een plicht het penthouse op een verstandige manier te gebruiken, door elke maand samen met mijn vrouw, Isa Hereng, een diner te geven voor mogelijke schenkers. We hebben dat zestien keer gedaan. Diners waarvoor we een beroep deden op de traiteur die later het huwelijk van prins Filip en prinses Mathilde heeft verzorgd."

Een tweede plek die een cruciale rol heeft gespeeld in Herman Liebaers' Brussels leven is het Koninklijk Paleis. In 1973 verliet hij de bibliotheek om hofmaarschalk te worden, op voorspraak van Georges Vanden Abeelen, een goede vriend van koning Boudewijn. Hij zou acht jaar lang dag en nacht, zeven op zeven ter beschikking staan van de koning, de vorst goede raad influisteren. "Ik had een goede relatie met de koning. Koningin Fabiola heeft dat nooit begrepen, ik was tenslotte een vrijzinnige. Ik heb de bibliotheek ook niet echt verlaten, ik heb ze meegenomen naar het Koninklijk Paleis."

"Als conservator van de bibliotheek had ik - samen met mijn toenmalige collega Caën - bekomen dat de Albertina en de andere wetenschappelijke instellingen boven de administratie werden geplaatst. Als hofmaarschalk heb ik van de koning bekomen dat hij vis à vis de wetenschappelijke instellingen rekening zou houden met de federalisering. Daardoor hebben ze lang onafhankelijk goed werk kunnen leveren, vrij mogen beslissen hoe de ter beschikking staande middelen werden aangewend. Het drama is echter nu dat een aantal Brussel politici geen federale loyaliteit hebben. En dan denk ik meer bepaald aan Charles Picqué. Wat hij als minister van Wetenschappelijk Onderzoek heeft gedaan met zijn Witboek voor de modernisering van de federale wetenschappelijke instellingen is een regelrechte schande. De administratie moet daar zijn om de middelen ter beschikking te stellen en er op toe te zien dat die middelen fatsoenlijk worden gebruikt. Punt aan de lijn. Picqué wil de administratie weer laten bepalen wat er gebeurt in de wetenschappelijke instellingen. Een stap terug naar de negentiende eeuw."

"Dat is de kleine politiek van België en Brussel. Grote politici hebben we mijns inziens niet meer. Voor wie ik wel respect heb én vriendschap voel, dat is burgemeester Thielemans. Een man die én tussen het volk kan staan en tussen de hogere klasse. Ik ken hem al van toen hij nog klein was. Ik woonde hier achter de hoek in de Kloosterstraat, waar mijn dochter nu nog woont. Op de eerste verdieping. Vader Thielemans woonde op de tweede. Toen Freddy vier was, werd hij voor het eerst verliefd. Op mijn dochter."

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?