Na een première op de Berlinale en bekroning met de Publieksprijs op het Film Fest Gent, is Maja-Ajmia Yde Zellamas langspeeldebuut vanaf deze week in de zalen. De Brusselse regisseur presenteert met Têtes Brûlées een intieme film gevoed door een persoonlijk trauma. "Eya is misschien de versie van mezelf die ik toen had willen zijn, met nog meer karakter."
Interview met regisseuse Maja-Ajmia Yde Zellama.
Regisseur Maja-Ajmia Yde Zellama: ‘Als een film over islam gaat, ziet men alleen dat nog'
Veel Brusselse verhalen moeten nog geschreven worden, en vooral nog naar het scherm gebracht. Sommige stemmen nemen dat ter harte, zoals die van Maja-Ajmia Yde Zellama. De Brusselse, geboren uit een Deense moeder en een Tunesische vader, legde een kronkelig parcours af langs filmscholen, zonder ooit op te geven. Met Têtes Brûlées, een intieme en veeleisende film gevoed door een persoonlijk trauma, maakt ze een werk dat haar perfect weerspiegelt: koppig, vastberaden, roekeloos.
Eya (indrukwekkend vertolkt door Safa Gharbaoui), een Brusselse tiener van 12 die gek is op rap en hiphopdans, wordt plots geconfronteerd met de dood – in omstandigheden die bewust vaag blijven – van haar grote broer. Een grenzeloze liefde, van de ene dag op de andere verdwenen. Door te putten uit haar eigen kracht en uit de steun van de mensen die haar broer omringden, leert ze ermee omgaan. Uit die vermenging van herinnering en fictie ontstond haar eerste film.
Wanneer ontstond je droom om regisseur te worden?
Maja-Ajmia Yde Zellama: Heel laat, rond mijn twintigste, al filmde mijn vader thuis vaak. Mijn moeder was huisvrouw, maar schilderde daarnaast nog. Als kind schreef ik op schoolformulieren “kunstenaar” als beroep. Het was een manier om op te gaan in de massa, om te tonen dat we een gezin waren zoals alle andere.
Waarom voelde je die behoefte om je aan te passen?
Yde Zellama: Ik was de enige Arabische leerling op school, en dat maakte me al anders, zelfs in de ogen van sommige leerkrachten. De school, in Watermaal-Bosvoorde, had niet de beste reputatie, maar trok vooral kinderen uit erg rijke families aan – zelfs uit de adel – die het elders niet haalden. In die tijd werd er ook raar opgekeken naar wie naar rap luisterde of sneakers droeg.
“Sommige distributeurs verwachtten een film in de lijn van Adil El Arbi en Bilall Fallah. Ik bewonder hun cinema, maar waarom worden we allemaal in hetzelfde hokje gestopt?”
Na een eerste jaar communicatie aan IHECS in Brussel kies je voor film.
Yde Zellama: Ik heb dat eerste jaar aan IHECS gehaat. Daarna probeerde ik het aan het IAD (Institut des Arts de Diffusion), waar ik ontdekte dat regisseren betekent: mensen samenbrengen rond een visie. Mijn parcours was chaotisch, maar leerrijk: na verschillende mislukkingen kwam ik uiteindelijk terecht bij LUCA School of Arts, aan Vlaamse kant, zonder eigenlijk Nederlands te spreken.
Voelde je je daar op je plaats, ondanks de taalbarrière?
Yde Zellama: Verrassend genoeg wel. “De Franstalige” zijn, was makkelijker te dragen dan “de Arabische” in een Franstalig milieu: mijn verschil kreeg er een ander gezicht. Ik hield er van de vrije omgang die we met de docenten hadden. We konden met hen in debat gaan, zelfs botsen. Dat was zwaar. Kunststudies zijn dat vaak, en dat wordt ook volledig genormaliseerd. Ik kreeg flauwtes, neusbloedingen en moest soms overgeven van de stress, tot een burn-out in mijn tweede jaar met een gebroken been en opgeschorte lessen. Die pauze werd een keerpunt: ik begon een kortfilm te schrijven.
Was dat de film die alles in gang zette?
Yde Zellama: Ja. De film was geïnspireerd op mijn leven, gedraaid met niet-professionele acteurs, in de kamer van een overleden broer die je nooit zag. Een 26 minuten durend kamerspel, heel zintuiglijk, bijna verstikkend. Ik wilde dat de kijker voelde wat rouw is. Ik had geen budget en deed de casting achter in de kruidenierswinkel van mijn vader, tussen de zakken aardappelen! (lacht)
Hoe werd de film onthaald?
Yde Zellama: Festivals lieten hem links liggen, maar dat was ook niet mijn doel. Ik vertoonde hem in scholen, jeugdhuizen en zelfs in gesloten instellingen voor minderjarigen. Die momenten raakten me diep: jonge jongens zien huilen en “rust in vrede” horen zeggen in het Arabisch, wanneer ze het over mijn broer hadden, terwijl ik die film maakte om zelf te genezen – dat was een enorm geschenk. Jaren later ontmoette ik toevallig Nabil Ben Yadir, die over de kortfilm had gehoord. Enkele weken later stelde hij voor om er een langspeelfilm van te maken.
Heeft de langspeelfilm nog altijd zo’n autobiografische dimensie? Het personage heet Eya, dus jij bent het niet.
Yde Zellama: Eya is misschien de versie van mezelf die ik toen had willen zijn, met nog meer karakter. Soms pas ik de werkelijkheid aan om afstand te bewaren, maar sommige scènes zijn onaangeraakt gebleven. In het mortuarium bijvoorbeeld zei mijn vader: “Geef je broer nog één laatste kus.” Ik weigerde. Hij werd boos, bang dat ik er later spijt van zou krijgen. Uiteindelijk raakte ik zijn gezicht even aan met mijn vingertoppen. Dat moment kon ik niet veranderen.
©
Sophie Soukias
| "De droom om regisseur te worden, ontstond pas heel laat, rond mijn twintigste", zegt Maja-Ajmia Yde Zellama.
Je vader, Mehdi Zellama, speelt ook de vader van Eya in de film.
Yde Zellama: Dat was niet gepland, maar ik vond geen geloofwaardige Tunesische acteur. Mijn moeder stelde voor om het hem te vragen. Ik had mijn twijfels, bang dat het oude trauma’s zou oprakelen. Maar hij vond het geweldig. Volgens mij droomde hij er al langer van zonder het te zeggen: na de opnames vroeg hij of we nog een film gingen maken. Vandaag speelt hij zelfs al een slechterik in Les Baronnes van Nabil Ben Yadir (lacht).
Eya toont een oprechte interesse in religie en de islamitische cultuur, maar staat zich ook bepaalde vrijheden toe. Zoals in die scène op het kerkhof, waar ze de groep vrouwen verlaat om zich bij de mannen te voegen.
Yde Zellama: Niets wat Eya doet is verboden in de islam. Traditioneel blijven vrouwen op afstand bij bepaalde ceremonies, maar Eya kiest ervoor om anders te handelen, met waardigheid en spontaniteit. Die scène is gebaseerd op mijn eigen ervaring: op de begrafenis van mijn broer stond ik bij de mannen, ik observeerde alles zonder te huilen. Rouw hoort bij het leven, en kinderen moeten de kans krijgen om zelf te kiezen wat ze willen zien en begrijpen.
Is het vandaag nog moeilijk om de islam in film te behandelen?
Yde Zellama: Ja, enorm. Potentiële distributeurs en programmatoren hebben me zelfs aangemoedigd om een “minder religieuze” versie te schrijven. Sommigen verwachtten een film in de stijl van Adil en Bilall: een actiefilm over de dood van mijn broer, met een zoektocht naar de schuldige. Ik bewonder hun cinema, maar mijn film is het tegenovergestelde. We worden allemaal in hetzelfde hokje gestopt en herleid tot één identiteit. Mijn film is in de eerste plaats Brussels, met jongeren die naar Nederlandstalige rap luisteren en universele thema’s aansnijden zoals rouw, geloof en liefde. Op een bepaald moment dacht ik dat de film nooit zou uitkomen. Maar hij werd geselecteerd in Berlijn en bekroond in Gent, wat bevestigde dat ik er goed aan had gedaan mijn visie niet te verloochenen.
Têtes Brûlées is vanaf 18 maart in de bioscoop.
Lees meer over: Brussel , Film , Maja-Ajmia Yde Zellama