De Koningin Elisabethwedstrijd, KEW voor de vrienden, trekt vanaf 4 mei opnieuw een maand lang de beste jonge uitvoerders ter wereld naar de hoofdstad. Dit jaar is de cello aan de beurt. Vier redenen waarom het concours uw ontgroening in de klassieke muziek moet zijn.
Vier redenen waarom de Koningin Elisabethwestrijd dé ontgroening in de klassieke muziek is
Competitie van de bovenste plank
Je kunt je terecht afvragen wat de zin is van kunst in competitie, maar het is ontegensprekelijk een beproefd recept. In de vorige eeuw hoorden bij de Olympische Spelen zelfs artistieke disciplines, waar schilders, beeldhouwers en componisten de degens kruisten. Willens nillens blijft wedstrijdwinst bovendien dé manier voor klassieke musici om hun carrière te lanceren. Platencontracten krijg je zelden na het opsturen van een demotape, maar pas na het keurmerk een concourslaureaat te zijn. En weinig stempels staan zo hoog aangeschreven als de Koningin Elisabethwedstrijd.
Dat heeft vooral te maken met de intensiteit van de wedstrijd. Die duurt een hele maand, en tijdens dat lange traject moeten muzikanten een enorm breed repertoire tentoonspreiden. In de eerste ronde krijgen ze verplicht een sonate met piano achter de kiezen, in de halve finale moeten ze een nieuw gecomponeerd werk in hun recitalprogramma verwerken, en in de finale spelen ze een concerto met orkest en alweer een nieuw stuk dat ze pas zeven dagen eerder voor het eerst onder ogen kregen. Wie de wedstrijd wil winnen, moet met andere woorden een alleskunner zijn, die zich dwars door stijlen en tijden staande weet te houden.
Genieten van de gelijkaardigheid
Ondanks het brede repertoire om uit te graaien, krijgt het publiek op de Koningin Elisabethwedstrijd toch vaak dezelfde stukken voorgeschoteld. De twee plichtwerken (in halve finale en finale) die elke kandidaat moet vertolken, geven de imposante jurytafel van een tiental internationale stercellisten ijkpunten, waarmee ze de minuscule verschillen tussen toppers kunnen beoordelen.
Ook voor leken is die vergelijkbaarheid een troef. Je hoeft de muziek uiteraard niet op hetzelfde niveau te begrijpen of te analyseren, maar je krijgt zo wel de kans om relatief makkelijk aan te voelen welke impact een interpreet op een geschreven partituur heeft. Hoe luid speelt iemand een forte? Hoe kort en hard is een pizzicato? Hoe snel gaat een adagio? Zelfs wie geen jota van de voorgaande zinnen begrijpt, kan wel instinctief vergelijken en een voorkeur krijgen. De bolletjes op het papier zien er voor iedereen hetzelfde uit, maar toch zal je geen twee keer hetzelfde horen.
Derde keer scheepsrecht voor het dutseninstrument
Op de Koningin Elisabethwedstrijd wisselt het instrument in de kijker elke editie. Op het allereerste concours, in 1937, namen violisten het tegen elkaar op – niet toevallig is dat ook het instrument van bezieler Eugène Ysaÿe. Het jaar daarna was het aan de pianisten. Toen de KEW na de Tweede Wereldoorlog de draad weer oppikte, wisselden snaren en klavier elkaar lange tijd af. Pas in het midden van de jaren tachtig mochten ook zangers zich komen meten.
Dit jaar is het aan de cello, sinds 2017 aan de rotatie toegevoegd, en nu pas aan zijn derde editie toe. De twee voorbije keren was het nog wat zoeken voor de nieuwkomer. In tegenstelling tot viool en piano heeft de cello minder natuurlijke soloprésence. Het timbre van het instrument bevindt zich veel meer in het middenregister, waardoor de cello eerder als gedegen fundament dient, dan als haantje-de-voorste.
Ook de bespelers van het instrument hebben eerder de reputatie om wel te gedijen in die wat dienendere rol. Daar is niets mis mee, maar een wedstrijd doet toch altijd uitkijken naar een persoonlijkheid.
Toch heeft the new kid on the block ook al zijn meerwaarde bewezen. Bij de twee traditionele instrumenten is het repertoire, ook buiten de verplichte stukken, grotendeels vastgeroest. Na bijna een eeuw competitie weten deelnemers ondertussen wel welke werken werken. In het pianoconcours kun je er bijvoorbeeld prat op gaan dat minstens één finalist het 'Derde Pianoconcerto' van Sergej Rachmaninov kiest, bij de violisten is Brahms incontournable.
Voor cellisten ligt het speelveld nog veel meer open, wat tot verrassendere ontdekkingen leidt. Vorige keer, in 2022, eiste de Koreaanse kandidate Hayoung Choi de hoofdprijs op met een stuk van Witold Lutosławski, een modern, maar miskend meesterwerk.
Altijd op de eerste rij …
Klassieke muziek heeft nog steeds de kwalijke reputatie onbetaalbaar en ontoegankelijk te zijn. Dat de finaleweek in Bozar een hoog m'as-tu vu-karakter heeft, valt niet te ontkennen, maar de beginfase van het concours is vaak verrassend democratisch. Een dagticket voor de eerste ronde in Flagey kost maar 21 euro, en voor dat geld mag je zowel de middag- als de avondsessies bijwonen, goed voor een tiental optredens. Jongeren die zich in de namiddag kunnen vrijmaken, betalen zelfs maar zeven euro voor een kaartje.
Hoewel het sowieso een interessantere ervaring is om in de concertzaal te zitten, hoef je voor de wedstrijd je kot niet uit te komen. RTBF en VRT zenden het concours vanaf de eerste ronde live uit, zitten de kandidaten op de huid, poten pop-upstudio's neer in het Paleis voor Schone Kunsten, waar ze de finaleweek bespreken en analyseren als de culturele Champions League die het is. De meest flitsende tv levert dat eerlijkheidshalve niet op, maar sinds de coronaeditie is het camerawerk van de concerten er enorm op vooruitgegaan. Bovendien mogen beide netten elk een publieksprijs uitreiken. Dat er dit jaar geen Belgen de eindronde haalden, is uiteraard een jammere zaak, maar het maakt de race voor die trofee wel eens zo spannend.
De Koningin Elisabethwedstrijd voor cello vindt plaats van 4/5 tot 10/6, koninginelisabethwedstrijd.be
Lees meer over: Brussel , Muziek , Koningin Elisabethwedstrijd , cello