Back to the roots: met Brusselse kunstenares Saddie Choua naar Bree

© Heleen Rodiers

Back to the roots betekent voor Saddie Choua terug naar Bree. Een Limburgs stadje dat tegen de Nederlandse grens aan ligt gedrukt, en waar de Brusselse kunstenares en kersvers Belgian Art Prize-laureate een naam, een identiteit en een uitweg voor zichzelf zocht. “Als ik niet had gebroken met Bree, was ik niet geweest wie ik nu ben.”

Het is jaren geleden dat ik hier nog ben geweest,” bekent Saddie Choua wanneer we haar geboortestad Bree binnenrijden. De rit van goed over het uur verraadt een deel van de reden. Hier, tegen de grens met Nederland, groeide Saddie Choua op als oudste van drie dochters van een Belgische moeder en een Marokkaanse vader. Intussen is ze bekend als Brusselse beeldend kunstenaar, schrijver en regisseur van films die op de grens tussen werkelijkheid en fictie de heersende beeldvorming ontrafelen en taboeloos peuteren in seksisme, racisme, feminisme en machtsrelaties. Vaak dicht op de huid van de maker en haar omgeving zelf. “Met mijn origine bezig zijn? Ik wou dat niet per se. Nog altijd interesseert mij dat het minste. Nu, mijn werk is ook wel meer dan dat. Het is heel persoonlijk, ja, maar ik trek het open naar de beeldtaal en de onderliggende mechanismen. Maar het is best moeilijk geweest om die weg te volgen. Ook omdat ik het niet makkelijk kan afsluiten, het is mijn leven, mijn gevecht.”

1669 Saddie Choua4
© Heleen Rodiers
| Don Bosco hoedt nog steeds zijn kudde in het schooltje in Gerdingen, waar Saddie Choua even Saïda was

Saddie Choua

  • wordt geboren in 1972 als oudste van drie dochters van een Belgische moeder en een Marokkaanse vader
  • groeit op in Bree tussen twee namen: Saïda en Saddie • gaat sociologie studeren aan de VUB en blijft plakken in Brussel
  • publiceert op haar 21e haar eerste kortverhaal en wordt op haar 23e moeder van een zoon • trekt naar Burkina Faso om onderzoek te doen naar soaps en beslist filmmaker te worden
  • maakt werk dat heel persoonlijk en taboeloos, speels en scherp grote thema’s als racisme, seksisme, feminisme en beeldvorming aanpakt
  • wordt in 2018 geselecteerd als één van tien Brusselse kunstenaars die werk mogen leveren voor de KANAL-collectie
  • wordt in 2019 genomineerd voor de prestigieuze Belgian Art Prize

Dat gevecht is onontkoombaar. En is het altijd geweest, blijkt wanneer we halthouden aan Don Bosco Gerdingen in de Schoolstraat, waar Saddie Choua haar kleuter- en lagereschooltijd doorbracht. “Hier kenden ze mij als Saïda,” vertelt ze terwijl we een van de klasjes binnenlopen, die in haar herinnering veel groter waren. “Dat was de naam die mijn ouders me wilden geven, maar die is toen geweigerd, omdat hij niet in het grote namenboek van de gemeente stond. Zo ben ik Saddie geworden. Toen ik hier naar school kwam, hebben mijn ouders mij wel kunnen inschrijven als Saïda. Op al mijn tekeningen en knutselwerkjes, het label in mijn turnzak, mijn rapporten staat Saïda. Toen ik in Genk naar het lyceum ging, mocht dat niet meer en werd ik opnieuw Saddie. Daar was ik toen heel blij mee, omdat ik dan eindelijk van die vreemde, exotische naam af was. Mijn moeders familie vond Saïda ook te vreemd. Bij mijn grootouders was ik altijd Saddie of Sadje.”

“Eigenlijk was ik hier een heel bekend kind,” gaat ze voort. “Iedereen kende het verhaal van mijn ouders, zij Breese, Belgische, hij Marokkaan. Ik heb heel erg mijn best gedaan op school, om geapprecieerd te worden. Ik was dan wel Marokkaanse en vond dat ik er niet zo mooi uitzag als die andere kinderen, maar ik was wel de slimste van de klas. Zo had ik ook waarde. Daar ben ik altijd naar op zoek geweest, iets aan mij dat wel de moeite is.”

Eén scène staat in haar geheugen gegrift. “Ik heb me hier goed gevoeld, hoor, maar ik herinner mij wel dat ik eens ben gevallen op de speelplaats, met mijn hoofd op de grond, en dat de leerkracht toen zei: ‘Die zal geen pijn hebben, die heeft heel dik haar, da’s een ander ras.’ Dat heeft mij erg getekend. Sindsdien heb ik als ik mijn haar waste een muts opgezet, om het in bedwang te houden.”

Het is die confrontatie met het andere in jezelf, met het zelf dat je niet in de hand hebt en de reacties die dat losweekt, die als een rode draad doorheen de jonge jaren van Saddie Choua loopt. Als een kruispunt waarop twee namen vastlopen. “In Bree was ik ‘de dochter van de Marokkaan’. Je had nog wel een andere Breese vrouw die getrouwd was met een Marokkaan, maar die hadden geen kinderen. En er was een Marokkaans gezin met één kind, meer diversiteit had je hier toen niet. Ik kon eigenlijk nergens komen, omdat ze me altijd herkenden. Maar we waren wel ‘een brave familie’, want mijn ouders werkten hard.”

1669 Saddie Choua6
© Heleen Rodiers
| Oogluikend Bree: de typische Vlaamse gevels waartussen Saddie Choua opgroeide

Ik en de ander
We nemen de wijk naar een plek in Bree die na de lagere school belangrijk werd voor Saddie Choua: het Stift, de uitgaansbuurt “voor mensen die niet naar de discotheken in Bocholt trokken. Ik zat wel in Genk op het middelbaar, maar daar mocht ik nooit naartoe om met mijn vrienden van school af te spreken. Bijgevolg heeft mijn jeugd zich hier afgespeeld. Ik ging altijd naar Lagossa, een alternatief café, waarvan ik de eigenares heel goed kende, Nele. Ze heeft indertijd het Afro-Latino Festival nog opgericht en was met een Marokkaan getrouwd.”

Maar een andere ontmoeting is nog bepalender geweest. “Iets verderop had je een bakker, met zo’n ‘knikkend-zwart-kindje-spaarpot’ op de toog, waar ik altijd naartoe moest om brood te halen voor mijn grootouders. Onderweg ben ik op een bepaald moment dan dat ene andere Marokkaanse meisje tegengekomen, dat me, gewoon door haar aanwezigheid, tot nadenken heeft gebracht over wie ik was. In het begin wilde ik niets met haar te maken hebben en bleef ik zo ver mogelijk uit haar buurt, ‘dat’ was ik niet. Zij zat op een staatsschool, was donkerder van huid en had krullen, al het slechte associeerde ik met haar. Maar vanaf ons veertiende zijn we heel goede vriendinnen geworden, en dat heeft mij erg verzoend met mezelf. Door te zien hoe zij omging met jongens, hoe ze al naar de kunstschool in Genk ging in het middelbaar en hoe zij danste in hiphopfilmpjes. En door te zien hoe complexloos ze omging met zichzelf. Fatima accepteerde dat gewoon, terwijl ik mijn haren nog blond verfde en verhalen verzon over mijn grootvader die niet-Belg was, om een uitleg te kunnen geven voor mijn naam.”

“Iedereen verwachtte van ons, de twee Marokkaanse meisjes van Bree, dat we later met een Marokkaan zouden trouwen en het huishouden zouden gaan doen. En dan bleken wij net degenen te zijn die met kunst en politiek bezig waren en helemaal anders in de wereld stonden.”

1669 Saddie Choua2
© Heleen Rodiers
| Saddie Choua aan het grootouderlijke huis: “Hier aan deze muur stond ik altijd te spelen met mijn bal en ongeduldig te wachten tot ik het gele Renaultje van mijn moeder zag”

Patatten en tajine
Voor we op het Vrijthof, in het centrum van Bree, neerstrijken – de cafés op het Stift gaan pas open om 16.00 uur – stoppen we even aan het grootouderlijke huis. “Mijn moeder was verpleegster in Maaseik en mijn vader was arbeider, en dat betekende vaak ook nachtdienst voor hen allebei. Dus ik was heel veel bij mijn grootouders. Hier aan deze muur stond ik altijd te spelen met mijn bal en ongeduldig te wachten tot ik het gele Renaultje van mijn moeder zag. Mijn grootouders hebben veel invloed op me gehad. Ik was vroeger bijvoorbeeld heel katholiek. Als kind ging ik altijd met hen mee naar de kerk op zaterdagavond. Hier in huis stonden twee heiligenbeelden, waar ik schrik van had. Ik moest braaf zijn en bidden. Terwijl mijn moeder daar nooit op heeft aangedrongen. Ze respecteerde erg mijn vaders keuze en zei ook altijd: ‘Jullie zijn Marokkaanse kinderen’, als we bepaalde dingen niet mochten.”

“Ik zag mijn grootouders graag, en zij mij, maar zien dat ze niet hielden van mensen zoals ik, was voor mij heel lastig. Ze lieten vaak, zonder me dat vooraf te vertellen, mijn haar knippen. Dat was zowat de grootste referentie naar mijn Marokkaanse origine. Ik viel te veel op. Mijn familie had allemaal blond haar en blauwe ogen. En dus werd mijn haar geknipt. Het doet pijn als je merkt dat je grootouders liever niet willen dat je bent wie je bent. En als mijn moeder overschotjes had en die naar hen bracht, werd dat niet geapprecieerd, want het waren geen patatten maar een tajine.”

“Ik heb een deel van die houding een tijdlang overgenomen. Ik schaamde mij voor mijn afkomst, voor mijn vader. Omdat ik op school niet kon meespreken over Zeg ’ns aaa bijvoorbeeld, omdat we naar het journaal op RTBF moesten kijken. Of wanneer ik in de krantenwinkel, hier op het Vrijt, Le Soir moest gaan halen, of anders Le Monde of La Libre Belgique. Wie kocht er nu Franstalige kranten? Vreemdelingen, geen gewone mensen! Ik weigerde ook om Frans met hem te spreken. En als kind maakte ik altijd een kruisje voor het eten, gewoon om hem te provoceren: ik ben niet zoals u! Erg hoor, dat racisme en die zelfhaat die in mij zaten.”

1669 Saddie Choua Plage
© Heleen Rodiers
| Een flard van de zee: Saddie Choua in het warme zand van speelpark de Boneput

Het meisje met de blauwe ogen
Die hele bol spanning rond identiteit, rond de Saddie/Saïda die zich een plaats zoekt, vloeit ook uit in haar werk. Het werk dat ze in KANAL BRUT toonde, als een van de tien Brusselse kunstenaars uit de vaste collectie, is gebaseerd op iets wat ze vroeger al realiseerde voor KIOSK in Gent. “De titel van die expo toen was Show me your archive and I will tell you who is in power. Uit dat archief komt die hele witte wereld naar voren waarin ik ben opgegroeid. Het was heel zwaar om mijn plaats daarin te vinden. Ik wilde eigenlijk gewoon lijken op de mensen die mij omringden. The bluest eye van Toni Morrison, een boek waar ik nu rond werk, gaat daarover: over een klein meisje dat blauwe ogen wil hebben. Dat had ik ook heel erg. Tegelijk schreef ik ook veel als kind. Die verhalen, een soort scenario’s, belandden in schriftjes waarin ik foto’s uit tijdschriften plakte, van mensen die op mij leken. Een soort fotoromans die een andere wereld verbeeldden, een wereld die er toen niet was. Dat is ook de reden waarom ik voorbij die identiteitspolitiek en de een-op-eengetuigenissendocu wil, en altijd een dubbele laag of metafoor in mijn werk steek. Die werken heb ik als kind al gemaakt. Ik sta verder, België nog niet.”

“Vandaar ook de mengvorm van mijn werk, van fictie en werkelijkheid, hoge en lage cultuur… Ik zat zelf ook in een gemengde wereld. Ik luisterde ook naar popmuziek en keek ook naar Thuis. Ik wil alles een plaats kunnen geven, werelden verbinden, taboe of niet.”

Zoals in haar eerste werk, over haar lesbische zus. “Als ik daar nu typisch Marokkaanse muziek over had gelegd, dan zou iedereen meteen daarop hebben scherpgesteld. Alsof het in België allemaal perfect is. Terwijl ik mensen wil laten voelen dat het maar om een gewoon meisje gaat dat vertelt hoe moeilijk het was om in haar gezin lesbisch te zijn. Van mijn ouders moest ik haar toen die gekte uit het hoofd praten. Met mij hebben ze dat ook gedaan toen ik in Nederland Middellandse Zeekunde wilde gaan studeren. (Lacht) Ik zag mij zo in Griekenland zitten. Mijn tante is mij toen een kruisje komen geven: ‘Word snel beter!’”

1669 Saddie Choua
© Heleen Rodiers

Om van die pit werk te maken, taboes te doorbreken, lijkt een verzoening met je eigen identiteit, je eigen pijn en strijd essentieel. “En toch is die er niet! Ik kan nog altijd scènes maken. Hier op de hoek was vroeger een frituur, waar ik met de kookpot frieten kwam halen terwijl mijn grootvader in de auto wachtte. Op een bepaald moment is hij boos naar binnen gekomen omdat hij de indruk had dat mensen voorstaken. Er was mij onrecht aangedaan. Dat heb ik ook nog altijd. Soms vergis ik me daarbij en ben ik lastig op de Marokkaanse bakker omdat hij me een brood geeft dat niet vers is en ik denk dat dat is omdat ik Belgische ben. Dat komt doordat ik van kleins af ben geconfronteerd met het idee dat je je continu moet verdedigen. Ik ben daar tot de dag van vandaag mee bezig. Dus ik heb geen verzoening met mezelf, bij mij is het eerder andersom: door taboes te doorbreken, kan ik mij meer met mezelf verzoenen.”

Ontworteld
Voor we huiswaarts keren, leidt Saddie Choua ons nog naar de Boneput. “In het middelbaar hingen we hier vaak ’s avonds rond. Veel anders was er in Bree niet te doen.” In de Boneput vond Saddie Choua een plek om te zonnebaden, “omdat de zee te ver was, die lag voor ons in Marokko.” En een bronnetje met water, dat haar deed denken aan de vele kraantjes in Marokko. “Ik had hier eigenlijk wel een mooie kindertijd, maar ik voelde me vaak alleen, onbegrepen. Nog altijd trouwens. Al die mensen die dingen over mijn hoofd beslisten, die twee namen… Ik had al heel snel een identiteitscrisis of zo. (Glimlacht) Ik vind het jammer dat ik hier nog zo weinig kom, maar ik ben er wel van overtuigd dat als ik niet had gebroken met Bree, ik niet geweest zou zijn wie ik nu ben. Omdat alle stappen die ik wilde zetten, hier constant werden afgeremd. Ik had vaak het gevoel dat ik mislukte in wat ik deed. Omdat ik alles anders deed dan anderen. Dat wilde ik voorkomen.”

1669 Saddie Choua3
© Heleen Rodiers

Back to the roots. Terug naar het lapje grond waar je wortel hebt geschoten. Waar je hebt leren staan en vooral veel vallen. Waar al dat jonge geweld en gestuiter deukjes heeft geslagen in de grond en zaadjes heeft geplant. Waar de kiem ligt van wie je nu bent. En waar je misschien toen al in de richting werd geduwd van wat je nu doet.

Of niet. Het is een eind in de namiddag wanneer we met Saddie Choua vanuit Bree de rit naar huis weer aanvatten. “‘When you’re growing up in a small town,’ zong Lou Reed, ‘you know that you want to get out.’ Ik wilde ook zo snel mogelijk weg uit Bree. Je zou eigenlijk een foto moeten nemen van de halte waar ik de bus nam. Dat is ook een belangrijk plekje voor mij. (LachtBack to the roots deed mij ook denken aan een fragment uit het boek Oorsprong van (de Libanese schrijver, ks) Amin Maalouf, dat ik in 1994 nog heb voorgelezen in de Monty, toen het Vlaams Blok bijna een derde van de Antwerpse stemmen kreeg, en er een groot festival tegen de partij werd georganiseerd. Bomen hebben wortels, schrijft hij in dat stukje, en zonder sterven ze. Maar mensen hebben voeten. Als je de ene voor de andere zet, kan je alle kanten uit. Nu eens die weg, dan weer dat pad. Wat dan overblijft, zijn al dan niet verzonnen verhalen, gelinkt aan je familienaam. Heel mooi, en het heeft mij ook geholpen om tegen die idee onder allochtonen in te gaan om je roots te respecteren. Natuurlijk is het goed om te weten wie je bent, maar je hebt die wortels niet nodig om bepaalde wegen al dan niet in te slaan. Ook al is dat niet de realiteit voor anderen, ik denk dan aan vluchtelingen. Maar dat heeft mij uiteindelijk tot Brussel gebracht en zal me misschien nog verder brengen. Waar ik weer nieuwe connecties maak en mij ook thuis kan voelen.”

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?