Lange Jojo, de striptekenaar die volkszanger werd

De Brusselse zanger Lange Jojo leek helemaal van het schouwtoneel verdwenen te zijn. Maar nu de Rode Duivels het opnieuw goed doen, lacht de toekomst ook de kwieke zeventiger tegemoet. De tekst van het liedje dat onze footballisten naar Brazilië moet begeleiden, ligt alvast klaar. Maar eerst krijgen zijn populaire meezingers een opfrisbeurt.

'A ls mens ben ik serieus, maar als artiest ken ik geen grenzen," bekent Jules Jean Van Obbergen, nadat hij in Taverne Le Greenwich opnieuw in de huid was gekropen van zijn populaire alter ego Grand Jojo of Lange Jojo. De tweetalige Brusselaar had er vrienden, familieleden en pers uitgenodigd om zijn Grand best of voor te stellen. Eén medley: meer had hij niet nodig om de handen van het publiek op elkaar te krijgen. Zowat al zijn klassiekers passeerden de revue, van 'On a soif!' over 'Le French cancan' en 'Jules César' tot 'E viva Mexico'. Aan zijn enthousiasme kon je duidelijk merken dat hij het podium gemist heeft. Universal bood hem niet voor niets op zijn 76ste nog een nieuw platencontract aan.

De platenmaatschappij brengt in eerste instantie een Franstalige compilatie op de markt, "maar het is de bedoeling dat de plaat straks ook in het Brusselse dialect verschijnt," stelt de zanger ons gerust. "Ik weet het, in het Brussels zijn mijn teksten nog veel komieker dan in het Frans. We zijn alles wat in de kelder ligt nu aan het digitaliseren. Ik heb er heel mijn carrière een gewoonte van gemaakt altijd twee versies van mijn liedjes op te nemen, één in het Frans en één in het Brussels."

Een tip voor Marc Moulin
Dat dialect leerde de jonge Jean van zijn grootouders en zou hem uiteindelijk ook lanceren als artiest. Hij herinnert zich het succes van zijn radioprogramma In't lieg plafond dat hij in de jaren zeventig in het dialect mocht maken voor de toenmalige Omroep Brabant van de BRT. "Vanuit het omroepgebouw in Flagey bereikten we toen wekelijks minstens 400.000 luisteraars. Jammer genoeg kwijnt het echte Brusselse dialect weg. Als artiest was het toen ook al moeilijk: die plaatjes verkochten maar tot in Aalst, niet verder. In Gent of Oostende moest je daar niet mee afkomen, daar hadden ze hun eigen dialect." (lacht)

Als kleine snaak had Van Obbergen nochtans een heel andere carrière voor ogen. Een in zwarte inkt getekend zelfportret op de achterkant van zijn nieuwe best of herinnert er ons aan. "Ik was afgestudeerd aan de academie en wilde striptekenaar worden. Maar daar was geen werk in te vinden. Uiteindelijk werd ik aangenomen als etalage-inrichter bij een grote platenhandel. Maar mijn baas had al snel door dat ik daarvoor te veel over muziek wist. Ik hing in die tijd rond in de bars van de Korte Beenhouwersstraat. Restaurants waren daar toen nog niet, maar ik heb er wel Jacques Brel weten debuteren in jazzclub La Rose Noir. En Georges Moustaki speelde er in een pianobar! Mijn baas zei: 'Ge gooit uw crayons en uw verf maar in de vuilnisbak, en ik maak van u onze jazzspecialist.' Zo ben ik begonnen in de muziek. En zo liet ik de mensen kennismaken met Miles Davis, Sonny Rollins en de grote vedetten van de jaren vijftig. Op een bepaald moment stond er een jonge gast voor mij. Ik heb hem de plaat van The Jazz Messengers gegeven, voor hem het begin van een lange ontdekkingstocht. Dat was Marc Moulin."

Beroepshalve kwam Van Obbergen in contact met artiesten die zouden doorbreken in het chanson en de jazz, maar zelf zou hij zijn heil zoeken in het populaire segment van de amusementsmuziek. Hij heeft het nooit als een tweederangskeuze beschouwd. "Ook wij deden iets wat niemand anders deed! In die tijd werd er alleen maar ambiancemuziek gemaakt met kleine budgetten. Veel meer dan wat accordeonbegeleiding hoorde je vaak niet. Wij wilden populaire muziek opnemen in de beste studio's met muzikanten die ook bij pakweg Will Tura speelden. En dat kon bij Vogue, onze toenmalige platenfirma, want die hadden ook ABBA, Sinatra en al de Franse vedetten onder contract. Het was ons geluk dat men daar 30 procent van het jaarbudget spendeerde aan Belgische artiesten. Dat bestond nergens anders."

Stripverhalen op muziek
Maar ook al schreef Van Obbergen meezingers voor het grote publiek, in zijn hoofd hoorden er nog steeds stripverhalen bij. "Al mijn liedjes zijn eigenlijk stripverhalen, maar dan op muziek. Het zijn stuk voor stuk kleine komische scenariootjes." Waarmee we zijn beland bij een van de projecten die hij in zijn leven nog graag verwezenlijkt zou zien. "Ik zou een stripverhaal willen uitbrengen in de stijl van Urbanus, maar dan met de teksten van al mijn liedjes. Een tekenaar heb ik al en ook de eerste pagina is al klaar. Ik ben alleen nog op zoek naar een uitgeverij die er zijn schouders onder wil zetten."

Vooralsnog blijft dat laatste een project op iets langere termijn, net als de nieuwe liedjes die klaarliggen en meer in countrysferen zouden vertoeven. Momenteel hoopt de zanger er vooral op dat België zich kwalificeert voor het WK voetbal in Brazilië. Het carnaval in Rio én de feestmuziek van Lange Jojo, een betere match kan je haast niet bedenken. "Na de wedstrijd tegen Schotland kon ik niet slapen," zegt hij enthousiast. "Ik ben om drie uur 's nachts opgestaan en heb een liedje geschreven. Ook mijn vaste arrangeur Roland Verloven is al op de hoogte. Hij woont wel in Spanje, maar als we ons kwalificeren, moet hij maar even terugkomen. In gedachten zie ik de Braziliaanse danseressen er al bij!"

Voetbal is altijd een van Jojo's paradepaardjes geweest. Er is 'Victor le footballiste' en het nummer dat hij als supporter maakte voor Anderlecht wordt nog steeds in het stadion gespeeld. Maar vooral toen hij de kans kreeg om in 1986 met de Rode Duivels naar Mexico te gaan, kreeg hij de smaak te pakken. "De sfeer rond het voetbal blijft speciaal. Het brengt een samenhorigheidsgevoel teweeg."

Die samenhorigheid mist hij weleens elders in de samenleving. Dat was ook de reden waarom de zanger in 2007 de ode 'Vive La Belgique' schreef. Het leverde hem de titel Brusselaar van het Jaar op. "Ik ben grootgebracht door mijn grootouders. Mijn grootvader is vijf jaar verloren in de oorlog. Hij vocht aan de IJzer en is teruggekomen als invalide. Hij heeft vele jaren van zijn leven gegeven voor ons. Ik vind het dan ook vanzelfsprekend dat ik wil voortzetten waar hij zich voor heeft ingezet." Over politiek wil hij niet discussiëren, hij snapt de commotie niet. "Ik ben tweetalig. Ik leef in vrede met iedereen. Ik vraag eigenlijk maar één ding: kan iedereen niet leven met het gevoel van Belg te zijn? De rest is zever en politiek, en proberen om mensen tegen elkaar op te zetten, terwijl de mensen daar niet mee gediend zijn."

Als hij zelf wil ontsnappen, dan kruipt hij wel op het podium en/of verkleedt hij zich. Herinner je bijvoorbeeld hoe hij er op de hoes van 'Jules César' uitzag als een fiere Romein in toga. "Dat verkleden is nog steeds een fantasme. Ik heb er altijd op toegezien dat ik er op het podium anders uitzie dan in het gewone leven. Als artiest ken ik geen grenzen. Los daarvan probeer ik een zo normaal mogelijk leven te leiden: niet alle dagen dronken zijn, niet roken, een beetje aan sport doen. Sinds mijn helikopterongeluk in 1989 besef ik het belang van een goede gezondheid en zeg ik elke morgen dankjewel. Alleen zo hou je het vol."

De 'Grand Best Of' van Grand Jojo is uit bij Universal.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
BRUZZ Magazine
deze week
  • Als één man achter Union, hoe de oude club weer hip wordt
  • Juicer Kylian: 'Deelsteps betalen mijn huur'
  • Bert Anciaux trekt lijst SP.A+: 'Nog één keer knallen'
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
deze week
  • Serge Aimé Coulibaly: épopéé d'une autre Afrique
  • De verzamelwoede van Benjamin Verdonck
  • Mike Yung: the sound of the underground
  • BRUZZ in the city
  • Archief
Neem een abonnement