95-jarige dichter Van Herreweghen met nieuwe bundel

© Marc Gysens

Maandag wordt Hubert van Herreweghen 95 jaar. Na zeventien dichtbundels heeft de langstlevende Brusselse dichter ‘De bulleman en de vogels’ klaar, met 52 hinnebezen van gedichten. Leuven nam een vers van hem te leen als blikvanger voor Gedichtendag 2015, twee weken terug. Zijn thuis is echter daar noch hier, de bulleman wortelt in de kouter.

A ls we op de middagkoffie gaan ten huize Van Herreweghen in de Grilstraat glundert de nestor van de Nederlandse poëzie als nooit tevoren. Daags voordien werd De bulleman en de vogels voorgesteld in Abdij Keizersberg, met rector Rik Torfs, Marc Eyskens, Herman Van Rompuy, de prior van de abdij en een kavel geliefden van zijn verzen rond hem heen. En met al zijn kinderen, die na hun jeugd in Molenbeek uitgezwermd zijn over Vlaams-Brabant.

Denderhoutems
Zolang er geen straat naar hem vernoemd wordt, zal Brussel niet geweten hebben dat de oud-journalist en Chef Drama van de eerste BRT-series hier sinds 1954 woont. Ondanks zijn talloze literaire prijzen en herkenbaar, unieke cadansrijmen. Want ach, hij wordt zo graag ‘van Pamel’ genoemd, al huisde hij in Brussel en Gooik tegelijk. “Officieel woon ik ‘op Moortebeek’, een gehucht rond het riviertje waartoe mijn grond behoort. En ik erbij. Toen we dit lapje kochten, veronderstelden we dat het Dilbeek was. Het had hier niets van een stad. Als we wandelden kwamen we drie grote Brabantse hoeves tegen. Eén waar we melk haalden, net voor de Mettewielaan, één met honderd koeien bij Regina Caeli en Het Neerhof in Itterbeek. Dat was onze buurt, hier konden wij ons boers voelen.”
“Toen we de weg Aalst-Ninove-Brussel aandeden was deze plek de eerste ‘nederzetting’. Met de goedkoopste grond en makkelijk bereikbaar. Moortebeek had allerhande winkeltjes. De markt van Kuregem was niet ver, groot gemaakt door een karavaan van karren met oogstvruchten uit het Pajottenland. Mijn ouders woonden wel in Pamel, in ‘het huis achter hameien’ (traliehek), maar kwamen uit Oost-Vlaanderen. Mijn taal was het Denderhoutems, dus Brabander ben ik ook niet. En ik zal me nooit een Brusselaar noemen, wel iemand van Moortebeek, met de onbenoembare schoonheid van zijn hoeven in herinnering.”

Bulleman
“Mijn bundel Een Brussels tuintje (1999) heb ik wel opgedragen aan Brussel, en ook Wandeling (kaderstuk) uit De bulleman en de vogels slaat op de stad. Toen mijn vrouw ziek was heb ik veel gewandeld, langs deze kant van Moortebeek, Molenbeek, Sint-Agatha-Berchem tot Laken. Het gedicht is een afbrokkeling van de waarheid. Ik was met mensen, die bekendstonden als propere drinkers, waaronder ik, uitgenodigd om wijn te gaan proeven in de Cirio naast de Beurs. Daarnaast schuilt een opgegraven kapucijnenklooster. Dat deed me denken aan mijn broer kapucijn, die daar misschien pater had kunnen zijn in andere tijden. Ik dacht ‘en hier zit ik uit oude caveaus poederdroge vergane wijn te drinken’. Op die wandeling tot daar kon ik me best voorstellen dat er dingen te zien waren, zoals een vos. Uit een drietal gedichten heb ik dan dit ene gecondenseerd. Het gedicht is zorgeloos, vraagt om geen uitleg en springt wat holderdebolder van het ene op het andere. Maar het begint wel met de waarschuwing dat als je op wandel bent, je niet telkens een das of ander dier ziet, waarvan men beweert dat ze hier lopen. En die er eigenlijk niet lopen. Het gedicht is kronkelend en verwarrend en eindigt anders dan in de wijnkelder van de kapucijnen, die ik wijselijk verzwegen heb.”
Over zijn duurzaam slijpersschrijven dan. “Van anderen lees ik weleens verzen, maar zover ik het zie noteer ik niets uit Holland, dat trouwens aan het verschemeren is. Van daaruit vroeg Anton Korteweg (oud-directeur van het Nederlands Letterkundig Museum) me: ‘waarom weer zo een Vlaams woord als bulleman, dat gebruikt toch niemand?’ Ik antwoordde: ‘Jacob Catz en P.C. Hooft zijn dichters uit de zeventiende eeuw die over de bulleman spraken, en ik gebruik dat woord nu nog om het te redden (glimlacht schalks,red.)’.”

Doodsprentje
Hij haalt er een vergeeld Woordenboek der Nederlandsche Taal van Martinus Nijhoff bij. “Meer dan in ‘vogelschrik’ hoor je in ‘bulleman’ het rammelende geluid om schrik te verwekken. Mijn allereerste verzen zijn 75 jaar oud, en het is nooit het moment geweest om me te schikken naar anderen. Ik heb geen gedichten te veel om er voor Holland te schrijven. Voor een goed gedicht moet ik veel slijpen en slijpen aan klank en ritme. En als er van daaruit een beeld oprijst, dan pas kan een effect bekomen worden, dat tot een goed gedicht leidt. Een gedicht is, zoals ik in Duimelot schrijf, iets van kloppen en kloppen met de hamer die geen duim spaart. En tegelijk loop ik op een mooie weg, waar ik kan struikelen over de woorden om het beste op te rapen. Ik schrijf ook niet voor een ander, en denk niet meer aan mijn dood als de andere. Alhoewel het denken over de vergankelijkheid wel fors toeneemt; het is zeer aanwezig sinds ik veel ziek geweest ben. Ik kan u een bangelijk vers lezen, Avond dat de doodsangst over mij brengt. Het gedicht is op mijn adem, die vliedend was, geschreven. Het zit vol ervaringen die ik nooit zo brutaal duidelijk heb overgebracht als in deze verzen: de sterkste verwoording ooit. ‘Licht, laatste korrel licht,/ draal nog even,/verlaat me niet/als ’ t donker valt, (…)/ Verlaat me niet,/wees zacht.’”

“Het past perfect bij een thema als afscheid, verlies en stilte, waarin gemijmerd wordt over de dood: ‘Nu moet ik naar de vaderen gaan’. Eigenlijk heb ik nooit geschreven: ik strompel en nu en dan komt een woord dat kleeft aan gewaarwordingen. En samen met visioenen klit het samen tot iets, vanuit mijn rode notitieboekjes (rechts in de kast op de foto, red.). Mijn dochter Anne heeft zo mijn allereerste vers Alles, alles is gedicht – mijn ervaring uit de oorlogstijd – in dikke letters geschilderd (het vers van Gedichtendag, red.). We schuilden onder een kelderluik in Izegem, toen de Duitsers ons eruit haalden.: ‘als het scheel wordt opgelicht’. Het gedicht heeft zijn eigen levenservaringen gekend, tot het met mijn vorige bundel, met een strikje rond, af was na zoveel tijd. Ondertussen had ik het ook opgestuurd naar mijn petekind Jan, toen men mij berichtte dat hij stervende was terwijl ik in het zuiden op reis was. Bij mijn thuiskomst stond het al op Jans doodsprentje. Zo heeft elk gedicht zijn eigen bruikbaarheid.”

'Ach vos, niet voor één gat te vangen,
das, die geen wandelaar ooit ziet,
met hop, roerdomp en karekiet,
(ook dieven ziet men niet meer hangen
in dit aseptisch clean gebied)
wijk ennen ' raadsel van de wereld niet,
de waarheid wijkt voor ons verlangen
en moet schuilgaan in het lied,
of in liturgische gezangen
met Pasen en 't heil in 't verschiet.


‘De bulleman en de vogels’, een uitgave van P, www.uitgeverijp.be

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
BRUZZ Magazine
deze week
  • Achter de gevels van sociale woningen: schimmel, ratten en enkel koud water
  • Fons Leroy (VDAB): 'Toekomst Brusselse werklozen ligt in de Rand'
  • Vzw Vogelzang Anderlecht: 'De verstedelijking jaagt de laatste steenuil weg'
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
deze week
  • Jef Neve & Natalia: liefde voor muziek (en elkaar)
  • Wauter Mannaert: Bédéiste à la main verte
  • Quartett: Rosas & STAN's dangerous liaison
  • BRUZZ in the city
  • Archief
Neem een abonnement