interview

Zita Swoon Group trapt tournee af in Kaaitheater

Na zijn avontuur met de dadaïsten transformeert Stef Kamil Carlens in de nieuwe voorstelling van Zita Swoon Group The ballad of Erol Klof tot wildeman. Vrijdag en zaterdag trapt hij zijn tournee af in het Kaaitheater.

“I’m just a poor wayfaring stranger / Traveling through this world of woe / Yet there’s no sickness, toil nor danger / In that fair land to which I go.” Terwijl ik de trap neem naar de zolder van Jan Lauwers’ podiumkunstencollectief Needcompany op de Hooikaai, waait een hemelse sirene de lyrics van de traditional ‘The wayfaring stranger’ naar me toe.

Het is Kapinga Gysel, zo blijkt wanneer ik de deur van de repetitieruimte openzwaai. Zita Swoon Group, het veelkleurige kunstencollectief waarmee creatieve spil Stef Kamil Carlens zijn dada’s – muziek, beeldende kunst, dans – met kinderlijk enthousiasme bij elkaar bindt, is aan de doorloop bezig van zijn nieuwe hybride voorstelling The ballad of Erol Klof.

Grote tekstvellen met akkoordenschema's slingeren over de grond tussen een oude grote trom, glockenspiel, Spaanse gitaren en een gigantisch hobbelpaard, vooroorlogse gewaden. Strooien rokjes en kleurrijke kostuums van Sietske Van Aerde hangen half aan lijven en half aan kapstokken, er wordt gedanst langs getapete choreografische patronen op de vloer.

Op een oude platendraaier draait Wim De Busser Debussy door wat elektronica, muzikaal brein Aarich Jespers refeert aan oude blueszangers waarna de Amerikaanse Brusselaar Matt Watts een van zijn folksongs zingt alsof het een oude kraker van Mississippi John Hurt is. 


 

Krampus
“Shit,” weerklinkt het een paar keer wanneer een kledingstuk niet zo snel verwisselbaar blijkt als gehoopt of een liedje verkeerd wordt ingezet. “Er gebeurt veel in de laatste rush,” glimlacht Stef Kamil Carlens terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegt. “De laatste twee weken van de repetities zijn voor ons heel belangrijk.” De rest van de ploeg gaat om een broodje, hij trekt een stoel bij. “Erol Klof, die bestaat dus écht,” grinnikt hij. “Blijkbaar is dat een Duitse achternaam. Op Facebook vind je er keiveel, maar dat was niet de bedoeling.”

Nee, want Erol Klof is gewoon... wat je krijgt als je het woord folklore achterstevoren leest. Alsof we dat niet wisten...toch? Carlens noemt The ballad of Erol Klof met veel zin in zijn stem een hommage aan de folklore. Zelfs in tijden waarin het altijd en overal geconnecteerde individu verloren is gelopen in de geglobaliseerde wereld en, soms krampachtig, op zoek gaat naar wortels, smaakt het woord folklore toch een beetje duf. “Voor mij hoefde het niet per se dat woord te zijn," knikt Carlens. "Vandaag wordt het al te vaak gekaapt wordt door nationalisten en extreemrechts. De geschiedenis heeft ons geleerd waar dat soort mythevorming toe kan leiden. Maar folklore is veel meer dan dat."

The ballad of Erol Klof is het vervolg op Nothing that is everything uit 2015, Carlens’ ode aan het dadaïsme dat hem gebeten had na het zien van een filmpje uit 1916 over het avant-gardistische theater Cabaret Voltaire in Zürich. Via het ideeëngoed van grondlegger van de moderne dans Rudolf von Laban keert Carlens terug naar dat broeierige tijdsgewricht, maar de vonk kwam nu van de Franse fotograaf Charles Fréger.

Carlens zag zijn foto’s in National Geographic Magazine, ging verder graven en stootte op diens boek Wilder Mann: the image of the savage uit 2012. Daarin portretteert Fréger hedendaagse ‘wildemannen’, onwezenlijke wezens in de meest bizarre outfits en maskers die belangrijke momenten in het jaar vieren, vruchtbaarheid willen afdwingen of demonen bezweren. Veelal mannen die dieren worden, stropoppen of duivels, vaak gebruikmakend van dierenhuiden en planten.

“Ik was verrast én geïntrigeerd door die foto’s,” zegt Carlens. Door maskers was hij al van kinds af gefascineerd, en door zijn trips naar Afrika de voorbije jaren was die interesse nog vergroot. Iets dat ook tot uiting kwam in zijn beeldende kunst, en in Nothing that is everything, waarin de dadaïstische figuren met absurde, Afrikaans geïnspireerde maskers de moderne maatschappij en zijn gebreken een neus zetten.

“Ik dacht dat die dingen vooral Afrika toebehoorden, dat vandaag modern wil zijn maar nog altijd heel erg door voodoo en vooral door zijn etnieën gestuurd wordt. Maar Fréger toonde dat die volkse gebruiken vandaag ook in Europa nog heel levend zijn. Misschien zelfs meer dan vroeger. In Polen zijn er mensen die bijeenkomen in de bossen om de zonnewende te eren. Of die Krampus-figuur in Duitsland die heel veel gevierd wordt, met zijn rode tong, zweep en mand vol kinderen. Je hoeft geen grote fantasie te hebben om er Zwarte Piet in te zien. Zijn beelden zeggen veel over hoe wij ons in onze moderne wereld verhouden tegenover natuur en dier, en hoe die balans vandaag zoek is.”

Small, medium of large
Carlens begon zich af te vragen op welk moment folklore folklore wordt genoemd. Wanneer kantelt het van een gebruik van een bevolkingsgroep naar iets dat kunstmatig in leven wordt gehouden? “Ik heb een prachtig fotoboek over de Omo, een bevolkingsgroep uit Zuid-Ethiopië die zich versiert met bloemen en bladeren en zich helemaal beschildert. Ik was daar helemaal ondersteboven van, zo prachtig!”

Tot hij van Lieven Corthouts, de maker van de documentaire The Invisible City [Kakuma] over een vluchtelingenkamp in Kenia waarvoor Carlens de soundtrack leverde, te horen kreeg dat die Omo die traditie in stand houden voor het toerisme. “In dat boek ziet alles er zo ongelooflijk ongerept uit, de Omo lijken uit het aards paradijs te komen. Maar in ruil voor foto's vragen ze geld aan toeristen, en ze zijn daar zelfs vrij agressief in.”

© Ivan Put
Wat Carlens fascineert aan die beelden en aan die van Fréger, is niet alleen dat de outfits fantastisch zijn, maar vooral dat mensen zich zo kleden vanuit een drang naar het vormgeven van het onbekende, van het onnoembare, van krachten van de natuur, op een soort theatrale wijze. Zonder dat die mensen kunstenaars zijn.

“Mensen zíjn creatief,” vertelt Carlens, “al was het maar in het bouwen van hun konijnenkot of een carport voor hun auto onder te zetten. Bij de ene is er een groot plan, de andere timmert vlug wat golfplaten bij elkaar. Maar creativiteit is des mensen. Ik heb iets nodig? Ik ga het zelf maken. Dat idee vind ik prachtig. Maar het probleem is, als mensen vandaag iets nodig hebben, kijken ze vlug online. Die vraag moeten we ons heel hard stellen: in welke mate kunnen we die creativiteit weer oproepen? Je ziet dat meer en meer mensen daar nu mee bezig zijn.”

De voormalige bassist van dEUS maakt al jaren kleren zelf, dat is geweten. “Ik heb veel boeken over kledij, vooral van etnische bevolkingsgroepen. Kleren die mij aantrekken door hun fantastische ontwerpen, maar vooral ook omdat ze gemaakt zijn door mensen die niet noodzakelijk kleermakers zijn of modeontwerpers. Gewone moeders en vaders die modellen, motieven en manieren van borduren doorgeven aan hun nageslacht. Dingen die handgemaakt zijn, met natuurlijke materialen, heel kleinschalig. Als je dan ziet hoe wij vandaag gekleed gaan, dan denk je, jongens, waar zit de verfijning? Waar is de zin voor esthetiek?”

Lost in consumption, gokken we, in de onstilbare honger van onze overbevolkte wereld. “De redenen waarom zulke dingen verloren gaan, zijn uiteraard talrijk en complex. Maar het is wel interessant om erover na te denken welke plaats die creativiteit nog kan hebben. Wat is de waarde nog van die feesten, die dansen, die muziek? Hoe komt het dat zulke vaardigheden als kleren maken verdwijnen? Het is jammer dat dat soort ‘wijsheid’ verloren gaat. Er is niks zo fantastisch als een vest dragen die op jouw maat gemaakt is. Want die zit gewoon perfect. Nu ga je naar de winkel om te kiezen tussen een small of een medium of een large, die nooit echt goed zit. Wij hebben creativiteit omgeleid naar consumptie, terwijl echte creativiteit iets voor kunstenaars geworden is.”

The jerk
En, één, twee, stap naar voor en draai, denk ik terwijl Carlens en co zich aan een bizarre mix van een volksdans en iets nieuwerwets wagen. “In het stuk spelen we met traditionele dansen zoals de Kroatische karakterdans en nieuwe dingen als The Jerk en de The Jumpstyle, moderne volksdansen die ontstaan wanneer kids op pleintjes samenkomen en dansen op luidde, snelle muziek. Je kan dat vergelijken met breakdance of het ontstaan van de hiphopcultuur. Wij trekken dat een beetje in het absurde, op het randje van onszelf belachelijk maken,” lacht Carlens.

© Ivan Put
Tijdens een van die choreografieën dragen zangeres Eva-Tshiela Gysel en dansers Inge Van Bruystegem en Misha Downey voiles met rode lippen en blauwe wenkbrauwen. “Dat is een verwijzing naar de Hexentanz van Mary Wigman, een Duitse moderne danspionier uit de dezelfde periode als de dadaïsten,” verduidelijkt Carlens. “Via haar ben ik bij Rudolf Von Laban terechtgekomen. Laban was de zoon van een gouverneur. Hij reisde naar het Midden-Oosten en Noord-Afrika en maakte aantekeningen over volkse gebruiken. Die verwerkte hij daarna in een systeem, een soort notenschrift voor dansers met geometrische patronen waarin lichamen kunnen bewegen en die wij ook integreren in onze voorstelling."

Laban, een modernist nota bene, nam die volkse elementen mee naar het Parijs van het begin van de twintigste eeuw, waar de cultuur zich voedde aan surrealisme en dada, waar Picasso en Ensor en al die andere kunstenaars voor een grote artistieke bloei zorgden. "Hij organiseerde ook danskampen in aan het Lago Maggiore op de grens tussen Italië en Zwitserland," vertelt Carlens. "Schrijvers als Hermann Hesse, dadaoprichter Hugo Ball en psychoanalyst Carl Jung kwamen er filosoferen, mensen deden er aan naturisme en vegetarisme, keerden terug naar de natuur. Terwijl de wereld aan het ontploffen was, zochten zij naar een idyllische oase. Vervuiling begon een probleem te worden, er waren grote spanningen tussen het volk en de elite, mensen werden economisch uitgebuit. Ongelooflijk hoeveel parallellen je met vandaag kan trekken. En ook: je begint systemen te zien, mechanismen die niet toevallig zijn.”

Geen maskers
Carlens deelt bevlogen zijn kennis. Kan kunst louter schoonheid zijn, vraag ik me luidop af? “Dat is een vraag waar ik me niet mee wil bezig houden,” lacht hij. “Ik vind kunst al een groot, bijna belemmerend woord. Als muzikant en kunstenaar heb ik er op een bepaald moment voor gekozen om een soort naïeve taal te hanteren, zodanig dat ik mij niet geremd voelde. Wat mij bij The ballad of Erol Klof in de eerste plaats interesseert, is de interactie tussen de mensen op het podium en met het publiek. Zoals bij een concert, waarbij muzikanten en toeschouwers naar een gebalde energie zoeken.”

Straks zoekt Carlens die energie opnieuw op. Voor het eerst sinds het Zita Swoon-album Big city uit 2007 gaat hij met een poprepertoire de hort op, voor de eerste keer onder zijn eigen naam. “Geen concept, geen masker, geen dansers,” lacht hij.

> The ballad of Erol Klof. 16/12 & 17/12, 20:30, Kaaitheater, Brussel

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook
BRUZZ Magazine
deze week
  • Wanneer de straat je tuin wordt: 'Een mens heeft natuur nodig'
  • Gudule: Brussel heeft een eigen wijn
  • Joost Vandecasteele: 'Mijn eigen boeken gooide ik weg'
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
deze week
  • Christine and the Queens: Queen C claims the throne
  • Back to the roots met Pauline Beugnies
  • Festival International des Brigittines
  • BRUZZ in the city
  • Archief
Neem een abonnement