column

Marc Didden haalt herinneringen op aan het Hotel Métropole

1674 MArc Didden cover
© Heleen Rodiers

Scenarist en columnist Marc Didden fileert al flanerend de lockdown. Deel drie: Scilt en Vrint.

“Kijk!” zei mijn eeuwigdurende buurmeisje Eva. “Daar loopt een Franstalige!”

Ik vroeg hoe ze dat zo zeker wist. “Omdat ze een mondmasker draagt, tiens!” was de korte uitleg. Eva had een kleine enquête gehouden over het hele grondgebied van de stad en zo vastgesteld dat de plutôt francofoon geaarde mens eerder slaafs achter de richtlijnen van RTL en Macron liep met zijn mombakkes om, in tegenstelling tot de wat minder gehorige Vlaam.

Proef op de som: de enige flamouchen met modieus voorbindsel die we daarna tegenkwamen, waren eigenlijk gewoon verloren gelopen Limburgse fans van Motörhead. Ze hadden hun doodshoofdsjaal zo voor de bek gesjord dat er door het mondgaatje van het afgebeelde doodshoofd nog net een safje gerookt kon worden. Voor ik zelf nog iets kon zeggen, zei Eva al: “Het gaat hier om een nieuw soort van Scilt en Vrint.” En tot en met 3 mei eerst­komend denk ik dat deze stelling klopt als een bus 71.

Voorts had ik me deze week voorgenomen, en dit op algemeen verzoek van de lezers van BRUZZ, niet te veel te zagen op de paar vierkante centimeter die mij dezer dagen ter beschikking gesteld worden.

Eva was nog maar nauwelijks uit beeld gefietst toen ik ter hoogte van het Heilig Kruisplein in Elsene mijn jonge oude vriend Georges tegenkwam. Hij woont nu min of meer in Australië, maar om het overzichtelijk te houden, werkt hij sinds kort toch vooral in Parijs en Zwitserland. Maar die dag kwam hij dus maar gewoon te voet vanuit Ganshoren gelopen. Hij vierde de lockdown met een lange wandeling die vertrokken was van onder de schaduw van de basiliek en nu stilviel aan de rustgevende oevers van de vijvers van Elsene.

Ik was moe in zijn plaats. Maar hij had duidelijk genoten van zijn geweldige promenade. “Voor het eerst in jaren heb ik weer eens gezien hoeveel mooie huizen er wel staan in Brussel,” zei hij. “En mij verheugd over de verhalen die al die gevels vertellen.”

Ik gaf hem overschot van gelijk en moest bekennen dat je vanuit de metro tussen Simonis en Naamsepoort inderdaad minder zicht hebt op al die architecturale pracht en praal. We dronken ten afscheid samen nog een virtueel glas streekbier in een wellicht gezellig maar nu volledig verzegeld café. Daarna gingen we elk ons weegs.

Ik kwam niet veel later op een zonovergoten De Brouckèreplein terecht. Mijn bedoeling was om vanaf een zitbank eens langdurig naar het brutaal gesloten Hotel Métropole te staren en te trachten mij zo te herinneren of het ooit iets had betekend in mijn leven, en, zo ja, wat dan wel. Maar een corona cop riep met een megafoon vanuit een voorbijrijdende dienstwagen dat ik geen recht had om op die bank te zitten.

Ik zocht een goed bekkende krachtterm die me desondanks geen GAS-boete zou opleveren. Maar toen liep mijn oude jonge vriend Herman bijna toevallig langs. We groetten elkaar ellebooggewijs en gingen daarna met onze ruggen tegen de glazen deuren van een bioscoopcomplex staan.

1674 Marc Didden2

We keken samen naar architect Alban Chambons op sterven liggende droomgebouw. We zoemden in op de heroïsche beeldengroep 'De Triomf der Vooruitgang', die er sedert eind negentiende eeuw en vol symboliek het dak tooit.

Ik zag mezelf meteen weer in de Expo-jaren met mijn ouders op het terras zitten. Mijn vader dronk dan altijd une Munich blonde uit een stenen pul. Mijn moeder koos voor het iets chiquere aperitief genaamd Italiano, dat we tegenwoordig mutatis mutandis een Spritz zouden noemen. Ik wilde dan altijd een Coca, maar die kreeg ik niet. “Van Coca wordt ge dom!” zei mijn vader en dat wilde hij zijn jongste niet aandoen. Dus werd het een Spa Citron, met alle gevolgen van dien.

Ik lees nu overal dat zowel Marie Curie, Louis Pasteur, Winston Churchill als Dwight D. Eisenhower ooit overnacht heeft in de Métropole. Maar ik moet bekennen dat ik zoiets zelf niet meer heb meegemaakt. Ik weet dat ik er slecht uitzie, maar zo oud ben ik nu ook weer niet.

Ik ben er wel ooit mijn schuchtere held David Byrne eens in de gang tegengekomen, alsook Charles Aznavour, maar dan in de bar. In 1977 spotte ik er ook regelmatig Mick Jagger en zijn toenmalige echtgenote Bianca Perez-Mora Macias. Zij hebben er toen wekenlang gewoond, omdat Bianca hier in Brussel samen met Dennis Hopper in een langspeelfilm van schrijver François Weyergans meespeelde. Die heette Couleur chair en bleek achteraf bekeken niet meteen onvergetelijk.

Dat laatste kan van de Métropole alvast niet gezegd worden. De dood heeft anno 2020 meer dan één gelaat in mijn en vooral uw Brussel.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

--- OPROEP. Reageer jij soms op online nieuwsartikels of wil je het wel eens proberen? Doe mee aan het RHETORIC-onderzoek en maak kans op een waardebon. Meer info en inschrijven

 

Lees meer over

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?