column

Vileyne gedachten: een kleine politieke geschiedenis

© Bart Dewaele
| Danny Vileyn BRUZZ ACTUA 1691

Dertig jaar puur Brusselse journalistiek heeft BRUZZ-redacteur Danny Vileyn erop zitten. Hij blikt in columns en interviews terug op wat hem van die drie decennia is bijgebleven. Deze week interviewt hij voormalig Brussels minister-president Charles Piqué over de lessen die hij trekt uit de voorbije drie decennia.

Dertig jaar Brusselse journalistiek

Dertig jaar puur Brusselse journalistiek heeft BRUZZ-redacteur Danny Vileyn erop zitten. Tweewekelijks blikt hij terug op wat hem van die drie decennia is bijgebleven. 

Deze thema's verschenen eerder:

  • Brussel kosmopolitische stad
  • Katholiek Brussel
  • Vrijzinnig Brussel
  • Prostitutie in Brussel
  • Misdaad in Brussel
  • Migratiestad Brussel
  • Meertalig Brussel
  • De heropleving van de Vijfhoek
  • Brussel centrum en progressieve stad

Met Charles Picqué zijn de Vileyne gedachten voltooid. Picqué is de man par excellence die zijn stempel gedrukt heeft op het Gewest. Tijdens de vele gesprekken die ik voor deze afscheidsreeks had, viel zijn naam bijna keer op keer. Altijd in positieve zin met als steeds terugkerend voorbeeld de creatie van de wijkcontracten. De charismatische Picqué is als sociaaldemocraat nooit de man van de strijdliederen geweest of de grote verklaringen, hij heeft zich altijd ontpopt als de man van het terrein en als pragmaticus, maar hij wist steevast wat hij wilde. De rode draad in zijn beleid is sociale rechtvaardigheid en sociale samenhang.

Toen Picqué als overwinnaar van de eerste verkiezingen voor het Brussels Gewest in 1989 een regering vormde, koos hij ervoor om met de christendemocraten en de communautaire partijen te regeren. Er kwam een regering van PS, PSC en FDF aan Franstalige kant, aan Nederlandstalige kant werden dat de CVP, de SP en de Volksunie. In tegenstelling tot de N-VA vandaag was de Volksunie geen rechts-nationalistische partij, ze was weliswaar nationalistisch, maar verder pluralistisch. Vic Anciaux werd staatssecretaris voor de VU. Anciaux behoorde tot de linkervleugel.

Die keuze voor FDF en VU was weloverwogen, Picqué is altijd op zijn hoede geweest voor communautaire geschillen binnen Brussel. Toch waren het de twee communautaire partijen die hem kopzorgen bezorgden. Vic Anciaux verliet eind 1997 de Brusselse regering uit onvrede over het taalhoffelijkheidsakkoord, dat afspraken vastlegde over het taalkader van de brandweer. De andere regeringspartijen vielen uit de lucht, omdat Anciaux altijd een loyale regeringspartner geweest was. Dat voedde de geruchten dat hogere partijregionen zulks beslist hadden. Vier jaar eerder had Picqué al moeten aanzien hoe regeringspartner FDF een kartel sloot met oppositiepartij PRL. Ook dat was een bevel van hogerhand. Het FDF zat tot aan de volgende verkiezingen met één been in de regering en met het andere in de oppositie.

Ook de keuze voor de christendemocraten was weloverwogen, de CVP was nog de grootste partij in Vlaanderen en in Brussel, en had dus het initiatiefrecht langs Vlaamse kant. En het Brussels boegbeeld van de Franstalige christen­democraten, Jean-Louis Thys, behoorde tot de arbeidersvleugel, het tegendeel van de rechts-­conservatief die altijd een grote vinger in de pap te brokken had in de PSC.

Met Jos Chabert had Picqué ook een loyale Vlaamse nummer één in de Brusselse regering en een antenne om te weten wat er leefde binnen de CVP. Ik herinner me een gesprek met Chabert over de herfinanciering van Brussel, in de wandelgangen van het parlement. Zijn antwoord was even eenvoudig als ontnuchterend: “In mijn partij, met zoveel plattelandsburgemeesters, krijg ik dat nooit verkocht.” Na Chabert heeft de liberaal Guy Vanhengel de rol van loyale regeringspartner overgenomen.

Picqué is vier keer minister-president geweest. Eerst van 1989 tot 1999, dan van 2004 tot 2013, toen hij de fakkel doorgaf aan partijgenoot Rudi Vervoort. Picqué is een door en door stedelijk politicus en denker. Tussen 1999 en 2004 was hij in de federale regering belast met Grootstedenbeleid. Vanuit die bevoegdheid lanceerde hij tal van grootstedelijke projecten in Brussel, Vlaanderen en Wallonië. De herfinanciering van de steden was er in beperkte mate en via een omweg toch gekomen. Tijdelijk.

Tot spijt van wie het benijdt is de Parti Socialiste in Brussel sinds 1989 de stabiele factor. Tussen 1999 en 2004 waren de liberalen aan zet en heeft de top van de liberale partij chaos gecreëerd. De Franstalige liberalen hadden in 1999 de verkiezingen gewonnen en kozen voor de jonge, talentvolle Jacques Simonet als minister-president. Maar de partij gaf Simonet niet de kans om zich waar te maken. Toen François-Xavier de Donnea na de verkiezingen van 2000 de burgemeesterssjerp van de stad Brussel moest afstaan aan de socialist Freddy Thielemans besliste de partijtop dat Simonet moest opkrassen ten voordele van De Donnea.

De Donnea was drie jaar aan zet, tot partijvoorzitter Daniel Ducarme besliste om zelf minister-president te worden. Ducarme bleef maar twee jaar op post: toen bleek dat hij al enkele jaren was 'vergeten' zijn belasting­aangifte in te vullen, was het voorbij. Simonet mocht de legislatuur voltooien. Toen ik hem sprak net voor de verkiezingen van 2004, zei hij me: “De kiezer gaat ons dit zeer zwaar aanrekenen.” Na de verkiezingen keerde Picqué terug als minister-president, voor de derde keer. In 2013 gaf Picqué de fakkel door aan partij­genoot Rudi Vervoort.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?