Edgard Tytgat, een voetballer met pleinvrees

Edgard Tytgat, dat zijn carrousels en volkse taferelen. Een schilder om wie je niet heen kan, maar die toch in de schaduw van de groten blijft. M - Museum Leuven lanceert de Brusselaar met een groots opgezette expo van de grote verteller van verhalen.

Huis Edgard Tytgat Terkamerenstraat
© KMSK / Archief voor Hedendaagse Kunst in België /SABAM Belgium 2017
| Edgard Tytgat tekende zijn huis aan de Terkamerenstraat zelf. De aanleg van de straat liet echter een tijd op zich wachten.

Als Edgard Tytgat (1879-1957) zijn eerste stappen in de kunstwereld zet - we schrijven begin 20e eeuw - is Sint-Martens-Latem een van de belangrijkste culturele plekken in België, en telt de hoofdstad een aantal gerenommeerde galerieën waar leden van de Latemse school, zoals Permeke, Van de Woestijne en De Saedeleer, graag exposeren. Tytgat keek evenwel met een nuchtere blik naar het spektakel van zij die het maakten en niet maakten. Hij vond dat er maar een vijftiental grote kunstenaars waren en die noemt hij dan nog niet (allemaal) bij naam.

Hij hield vooral van Hippolyte Daeye, een Gentenaar die het nooit echt gemaakt heeft. De mens Gustave De Smet kon hij wel smaken, maar zijn werken niet. Van Spilliaert en Evenepoel hield hij heel veel. Historica Klara Rowaert, die in de catalogus van Herinnering aan een geliefd venster een biografie van Tytgat heeft geschreven: “Tytgat hield er een eigen kunstfilosofie op na, volgens hem prees de pers die kunstenaars de hemel in die goed lagen bij de bourgeoisie, met kunstwerken die de bourgeois graag ophing in zijn salon.”

Tytgat mag dan een enorm oeuvre met meer dan vijfhonderd schilderijen en een paar duizend aquarellen, etsen en gravures nagelaten hebben, hij behoort niet tot de kunstenaars van wie het horen van de naam vandaag spontaan een paar doeken voor de geest haalt.

En als hij al gekend is, is het als schilder van volkstaferelen, van paardjesmolens en kermissen. Toch was Tytgat geen vrolijke Frans: cocurator en scenarist Gust Van den Berghe noemt de carrousels de droom die nooit mocht zijn. Tytgat schrijft over het kinderlijke dat hem wordt aangewreven, over wat hij zich herinnert - hij schrijft hilarisch over zijn eerste seksuele aanrakingen met de huismeid - hij is met andere woorden heel erg bezig met zijn eigen kindertijd, maar niet altijd onbevooroordeeld positief.

Curator Peter Carpreau: ”Het verhaal van de paardjesmolen bijvoorbeeld is intriest. Als vijfjarige komt hij op een dag voorbij een paardjesmolen. Hij heeft voor het eerst een bruin kostuumpje aan. Maar de kleine Edgard valt van de paardjesmolen en moet in allerijl naar huis gebracht worden, waar de dokter vaststelt dat hij het niet zal halen, dat hij zal sterven.

Zicht naar buiten, schilderij Edgard Tytgat
© Museum M Leuven
| Vanop zijn ziekbed in Brugge keek Tytgat naar buiten. Vermoedelijk is dat de reden waarom hij vaak dergelijke taferelen schilderde.

Hij ziet vanop zijn sterfbed hoe zijn moeder het kostuumpje waarop hij zo trots is aan de buurvrouw geeft voor haar zoontje dat even oud is. De zogezegde doodsstrijd duurt maanden, ten einde raad draagt een resem vrouwen hem mee in een processie door Brugge - waar zijn ouders een paar jaar gewoond hebben - waarop hij wonderbaarlijk geneest. Je moet je voorstellen wat dat als kleine jongen betekent: je valt van een paardjesmolen en je wordt opgegeven. Dat is dan de connotatie met het schilderij waar hij vanop zijn bed naar spelende kinderen kijkt.”

“Het is misschien kort door de bocht, maar hier ligt wellicht de kiem voor het venster dat telkens weer opduikt,” zegt Van den Berghe. “Terwijl hij door het venster kijkt, drinkt hij een kommetje geitenmelk. Zelfs zijn haar was al in een engelencoupe geknipt. Zelf herinnert hij zich niets van Brugge, alleen de processie is hem bijgebleven.” Lieflijk en meedogenloos tegelijk, dat is Tytgat volgens Van den Berghe. Tytgat schildert heel erg filmisch en dat was de reden om scenarist Van den Berghe aan te trekken.

Tytgat was ook de schilder die zijn klassiekers kende en er zonder moeite in slaagde om verschillende stijlen door elkaar te gebruiken. Tytgat tilt waargebeurde verhalen uit zijn dagboek naar een hoger niveau in zijn schilderijen. Met soms ronduit verrassende resultaten.

Carpreau: “Tytgat vertelt hoe hij op een dag samen met zijn moeder bij zijn grootoom op bezoek gaat, een excentriekeling die voor de gelegenheid uitgedost is in een Lodewijk XV-pakje. De grootoom, die in een groot huis in een park woont, speelt klavecimbel, een instrument waarop hij tafereeltjes uit de periode van Lodewijk XV heeft laten schilderen. Hij speelde Mozart, zo herinnerde de volwassen Tytgat zich. Achteraf is er dan een schilderij Mozart en de bohemers. Je ziet een huifkar met bohemiens en opeens komt daar Mozart tussenwandelen - met een fluit. Je krijgt een explosie van betekenissen.”

Tytgat werd geboren in Brussel, woonde ten tijde van zijn val van de paardjesmolen in Brugge, maar kwam alras terug naar Brussel, waar hij in Watermaal-Bosvoorde, Vorst en Sint-Lambrechts-Woluwe woonde. Het huis aan de Terkamerenstraat in Woluwe tekende Tytgat zelf, maar de bouw ervan vorderde te snel: de voordeur van de woning bevindt zich drie jaar lang drie meter boven de begane grond (zie foto), tot de straat eindelijk aangelegd wordt. Voor Van den Berghe staat het onafgewerkte huis van Tytgat voor zijn oeuvre. Uitspraken over de persoonlijkheid van Tytgat willen de curatoren niet doen. “We staan aan de voet van een berg,” zegt Van den Berghe beeldend, “Tytgat lijkt wel een voetballer met pleinvrees.”

Schilderij Edgard Tytgat
© Museum M Leuven
| Edgard Tytgat, een grote verteller van verhalen.

De titels die Tytgat geeft aan zijn werken vormen een apart verhaal. Soms zijn ze humoristisch, soms vertellen ze niet wat er te zien is, wel wat eraan voorafging of wat erna komt. ‘Kijk maar beste kunstliefhebber, er staat niet wat er staat.’ Het schilderij De tragische herhaling is hier een mooi voorbeeld van. Op het doek is een messenwerper te zien en een vrouw. De titel vertelt de afloop, niet het schilderij.

Scabreus
Preuts is Tytgat allerminst - getuige zijn schier eindeloze serie naakten - zijn werk is af en toe ronduit scabreus. Met Markies de Sade wil Carpreau hem niet onmiddellijk vergelijken, maar hij hanteert wel dezelfde filosofie om de autoriteit van bevolkingsgroepen naar beneden te halen door gigantische overdrijvingen. Hij laat die bevolkingsgroepen het tegenovergestelde doen van wat de goegemeente van hen verwacht.

Een mooi voorbeeld hiervan is Huit dames, een onuitgegeven erotisch boekwerk, waarin acht dames de identiteit van de speelkaarten - vier boeren, vier dames - moeten aannemen. De dames zijn archetypen: onschuld, liefde, lust of afgunst. Het kaartspel tussen twee geestelijken, twee broeders beslist over hun lot. Is dat dezelfde schilder van de kinderlijke, volkse doeken?

Carpreau: “Huit dames werpt niet alleen een licht op de complexe vertelstructuur bij Tytgat, het bevat ook een voorraad aan beelden en motieven die we zien terugkomen in zijn volledige oeuvre.”
Zestig jaar na zijn overlijden krijgt Tytgat een grote expo met 75 schilderijen. Meer dan verdiend volgens Carpreau en Van den Berghe. Eindelijk weg uit de marge.

Edgard Tytgat, van 8 december 2017 tot en met 8 april 2018 in M - Museum in Leuven: www.mleuven.be.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?