Schrijfwedstrijd: De wereld van Ward

© Nena Peeters

Schrijf een verhaal met Brussel als onderwerp, zo luidde de opdracht voor de tweede editie van de schrijfwedstrijd van Brussel Deze Week. Maar liefst 60 aspirant-schrijvers gingen de uitdaging aan. De acht beste inzendingen zien hun verhaal in de stadskrant en op deze website gepubliceerd. Op de derde plaats: Sarah Van der Maas uit Middelburg, die vorig jaar al won.

Die ochtend vond Gustaaf zijn zoon weer slapend op de binnenplaats. Hij lag opgekruld als een jong varenblad tegen de muur aan, zijn gezicht gewend naar de eerste zonnestralen. Dauw kleefde in zijn haren en aan zijn wimpers. Toen Gustaaf hem aan zijn schouder trok, werd hij met een zucht wakker.
‘Het was een uur of drie,’ verklaarde hij, terwijl hij moeizaam overeind ging zitten. ‘Ik moest de lucht zien.’
‘Had je je slaappillen niet genomen?’
‘Eentje maar. U zei dat ik moest afbouwen.’
De onzekerheid in zijn stem maakte dat Gustaaf zijn teleurstelling wegslikte.
‘Kom naar binnen, dan drinken we koffie. Ik zal een ei voor je bakken.’
‘Ik blijf liever hier.’
‘Je bent de halve nacht buiten geweest! Wil je kou vatten?’
‘Echt pa.’
Hoofdschuddend klom Gustaaf terug de trap op. De stilte van het appartement ontving hem met open armen. Terwijl hij de sissende koekenpan over het fornuis schoof, gluurde hij door het beslagen keukenraampje naar beneden. Ward zat nog steeds op de grond en leunde met zijn hoofd tegen de stenen. Zelfs van hier was te zien dat hij rilde. Met het bord in zijn ene hand en twee koffiekopjes in de andere liep Gustaaf opnieuw naar beneden. Hij gaf het ei aan zijn zoon en bleef zelf tegen de muur staan terwijl hij zijn snor voorzichtig in de kokende koffie doopte.
Ward bleef omhoog staren terwijl hij at. Onwillekeurig kroop ook Gustaafs blik langs de ramen naar boven, richting het vierkantje lucht, niet groter dan de vuist van een man, omlijst door groen uitgeslagen dakranden en magere stadsduiven.
En het leek zo goed te gaan.
Gisteren nog hadden ze samen aan tafel gezeten. Hij had stukken uit de krant voorgelezen: een paard uit het kanaal gered, Firmin Lambot wint de Tour de France, dat soort dingen. Vroeger hield Ward van voorlezen. Misschien helpt het, had hij gedacht.
Maar uiteindelijk hielp niets.
Als tienjarig jochie had Gustaaf bij Knokke de zee gezien en hij vermoedde dat het met Ward net zo was als met eb en vloed: een eeuwigheid laag water, en precies als je je omdraaide naar de ijscoman was daar een reuzengolf die alle zandkastelen met zich mee de diepte in sleurde.
Hij liet zijn hoofd zakken. Zijn aandacht werd getrokken door een stapeltje kranten dat naast Ward op de grond lag. Onder het ochtendblad van gisteren stak een affiche met de beeltenis van een glimmende automobiel.
‘Zeg, is dat niet de nieuwste Sunbeam?’ vroeg hij, met een schuin oogje op de tekst die er in vette letters onder stond.
Ward knipperde. ‘Hm? Oh, dat. Ja.’
‘Prachtige machine zeg. Interesseer je je voor auto’s?’
‘Gaat wel,’ zei Ward, terwijl hij een zijdelings blik op het blaadje wierp. Een tijdje zwegen ze allebei.
‘Nou, dan ga ik maar weer,’ zei Gustaaf uiteindelijk, terwijl hij zich losmaakte van de muur. Hij zette zijn pet op. ‘Tot vanavond jongen. Pas goed op jezelf!’

Op zijn knieën lag Gustaaf in de warme aarde. Nauwgezet ontdeed hij de begonia’s van hun bruinende blaadjes, terwijl hij luisterde naar de geluiden die achter zijn rug uit het park opstegen. Wanneer hij zo half verscholen tussen de bloembedden lag, merkte hij vaak dat voorbijgangers een ogenblik stilstonden om hem te zien werken. In zijn verbeelding hoorde hij hen denken: ‘Kijk aan, hier hebben we de tuinman van het Jubelpark’, zoals ze dat ook plachten op te merken over de triomfboog en de Hond van Ulm . Zulke gedachten vervulden hem altijd met een zekere trots. Het park was zijn wereld. Hij hoorde erbij, zoals de mussen en de strohoeden en de vossen van Samson op hun stenen sokkel.
Een mollige peuter dribbelde langs de vijverrand op en neer. Zijn moeder kwam er met haastige passen achteraan. ‘Niet te dicht bij het water, Wieke!’
Vroeger maakte Ward uit school ook graag een ommetje langs het park. Als klein ventje al kende hij alle bloemen bij naam. De mannen hadden telkens weer versteld gestaan.
‘Rokertje doen?’ riep Nolle vanaf de andere kant van het pad.
Gustaaf hees zichzelf overeind. Voorzichtig, om geen bloemstelen te knakken, stapte hij het perk uit. Hij liet zich naast Nolle in het gras zakken. Die bood hem een sigaret. Gustaaf tastte in zijn binnenzak. Zijn vingers streelden langs de aansteker en hij haalde hem even omzichtig naar buiten als hij zijn begonia’s ontzien had. Het was een meesterstukje, vond hij. Ward had hem gefabriceerd uit een kogelhuls en opgestuurd naar huis. Dat was toen hij nog brieven stuurde.
Hij schonk Nolle een vuurtje. Die wierp een blik op de aansteker. ‘Mooi dingetje,’ zei hij. ‘Onze Tuur heeft er ook zo één gemaakt, met zijn initialen erin. Prachtwerk is dat.’
Tevreden zoog hij aan zijn sigaret. ‘En dan die Overwinningsmedaille van laatst natuurlijk. Echt brons hè? Natuurlijk had Tuur al het Oorlogskruis, maar zo met z’n tweeën aan de muur, dat stáát toch!’
‘Ja, ’t is een verdraaid mooi geval, die medaille,’ beaamde Gustaaf. ‘Ward heeft hem ook gekregen, natuurlijk.’ Hij dacht aan het laatje van het dressoir waarvan Ward meende dat het niet meer open kon omdat het zo klemde. Vaak, als zijn zoon al sliep, schoof hij het in alle voorzichtigheid open en haalde de medaille tevoorschijn om hem in het lamplicht te houden, waardoor het brons een gouden glans kreeg. Het was een riskante gewoonte, maar hij kon het niet laten. Wards nachtmerries waren zijn dagdromen.
‘De meisjes zijn er dol op, moet je weten,’ ging Nolle verder. ‘Laatst was ie met zijn kameraden de stad in. Aan elke arm een dame, meneertje!’
Gustaaf liet zijn blik over het park dwalen. De paadjes waren aangeharkt, de bloemperken schitterden in hun zomerpracht. Misschien was dat wel waarom hij zoveel van het park hield. Alles was er overzichtelijk: hier de lelies, daar de gladiolen. ‘En dan heb ik het nog niet over het werk. Als het aan de mensen lag, had Tuur al tien keer een baan. Drie jaar dienst en geen schrammetje! Hij is een overlever, begrijp je, en dat zien ze hoor!’
Langzaam was er iets drukkends in de lucht geslopen. Boven de maagd van Brabant dreigden wolken. We krijgen regen, dacht Gustaaf.

Het was een onvervalste zomerbui die hem vergezelde op zijn weg naar huis. In het schemerduister haastte hij zich door de druipende straten, terwijl hij met zorg een pakketje tegen zich aanklemde. Handleiding voor de automobilist, losjes verpakt in doorweekt krantenpapier. Hij had het zojuist voor een schandalig hoog bedrag gekocht bij een morsig boekhandelaartje in de buurt van het park. Zelf had hij weinig verstand van de moderne techniek, maar Ward was een intelligente jongen. In gedachten zag Gustaaf zijn zoon al achter het stuur van een glimmende Subiet, of hoe die dingen ook mochten heten.
Diep weggedoken in zijn kraag snelde hij onder de poort door, de binnenplaats op. De geur van vuilnis prikte in zijn neus. Geen bloemen hier, alleen de vier muren en een lekkende lucht. Dit was de wereld van Ward.
Hij had zijn hand al op de deurkruk gelegd toen een beweging zijn aandacht trok. Achter de handkarren op de grond leunde een donkere gedaante tegen de muur. Hij had zijn knieën opgetrokken en het water drupte uit zijn haren.
‘Ward!’
Gustaaf schoot op hem af, boog zich over hem heen. Ward draaide zijn hoofd. Er lag een vermoeid glimlachje rond zijn mond. ‘Dag pa.’
Gustaaf voelde zijn hart in zijn keel bonken. Zijn opluchting mengde zich met opkomende woede. ‘Ward, verdraaid! Ben je nou helemaal, om met zulk weer… Hoe lang zit je hier al?’
‘Het spijt me,’ mompelde Ward. ‘De lucht…’
‘Wat nou, de lucht?’ tierde Gustaaf. ‘Je bent toch niet uit de oorlog gekomen om hier te sterven aan een longontsteking?’
Voetstappen achter hem op de natte stenen. ‘Zeg, stoor ik?’
Met een ruk draaide Gustaaf zich om. In de schaduw van de poort stond Nolle. Hij haalde met een zwierig gebaar iets uit zijn zak. ‘Ik vond deze tussen de rozen. Dacht dat je hem misschien wel terug wilde hebben.’ In zijn hand lag de aansteker.
Verstrooid voelde Gustaaf in zijn binnenzak, die uiteraard leeg was. Het duurde even voor hij de tegenwoordigheid van geest had om de aansteker aan te pakken.
‘Ik wist niet zeker waar je woonde, maar ik heb het hier om de hoek gevraagd,’ zei Nolle, terwijl hij nieuwsgierig langs Gustaaf heen gluurde. ‘Zeg, als dat Ward niet is!’
Gustaaf keek achterom. Ward was overeind gekomen en stond nu in het volle licht van de lantaarn. Zijn blouse plakte om zijn lijf zodat iedereen kon zien hoe weinig Ward er nog over was.
‘Dat is een tijd geleden!’ zei Nolle, een beetje weifelend. ‘Hoe is het met onze oorlogsheld? Ook in de buitenlucht gewerkt? Man, je bent natter dan een uitgewrongen regenwolk!’
‘Nee, geen werk…’ zei Ward. ‘Ik kan niet… Het is de lucht. Ik moet de lucht zien.’ Gustaaf klemde zijn lippen zo hard op elkaar dat het bloed eruit wegtrok. Zijn vuisten balden in zijn broekzakken en hij kon Nolle niet aankijken. In plaats daarvan staarde hij strak naar de grond. Onder zijn voeten spoelde het water de laatste restjes aarde van zijn zolen.

‘Het spijt me,’ zei Ward, toen Nolle verdwenen was. ‘Echt pa, het spijt me. Het komt door het donker, dat heb ik u toch gezegd? Als ik daarbinnen ben, komt het terug. De huiskamer, een dug-out, het maakt niet uit. Het komt terug, het valt bovenop me. Ik word gek als ik de lucht niet zie, begrijpt u?’
Gustaaf merkte hoe zijn kaken begonnen te verkrampen. ‘De oorlog is afgelopen. Dit is Brussel, Ward, het is hier veilig. Jouw bommen zijn hier niet!’
‘Maar ze zijn hier!’ zei Ward, en hij tikte tegen zijn natte voorhoofd.
Gustaaf zuchtte. ‘Je kunt toch ook andere dingen doen? Lezen?’ Hij ontdekte dat hij nog steeds het pakje vasthield en stak het Ward toe. ‘Hier, vandaag voor je gekocht. Je kunt eruit leren autorijden.’
Wards gezicht stond ongelukkig. ‘Doe dat nou niet pa,’ zei hij zacht. ‘Het helpt niet.’
‘Maar je kunt het toch proberen?’ ‘De kranten en het schaken en het boksen heb ik ook geprobeerd.’
‘Maar wat wil je dan? Je hele verdere leven slijten op een smerige binnenplaats?’
Ward haalde hulpeloos zijn schouders op.
Gustaaf schudde zijn hoofd. ‘Je bent in een oorlog geweest, je bent een held, je hebt een medaille! Jongens zoals jij worden aanbeden daarbuiten. Overal waar je aanklopt, nemen ze je aan! Verdraaid nog aan toe, hebben ze je dan niks geleerd in het leger?’ Wards mond verstrakte. ‘Weet u wát ze me geleerd hebben in het leger? Hoe word ik een beest, in drie stappen. Een granaat midden in het peloton naast je? Slecht gemikt Fritz! Je kameraad ligt buiten de dug-out te creperen met darmen uit zijn lijf? Blijf waar je bent, we hebben jou nodig voor de volgende massamoord. Leef je nog? Geen zorgen, morgen ben je evengoed dood.’
Zijn stem brak. Met een bruusk gebaar draaide hij zich om en holde de trap op. Gustaaf staarde naar de openstaande deur. Vijf volle seconden stond hij bewegingloos op de binnenplaats, terwijl de draaikolk in zijn binnenste tekeerging als een storm in de wilgen. Toen, in een wanhopig gebaar, hief hij zijn vuist naar de hemel en schreeuwde geluidloos.

‘Hij is er ook zo één hè?’ zei Nolle, toen ze elkaar tegenkwamen voor de ingang van het park. Het was het eerste woord dat ze wisselden. Gustaaf zweeg.
‘Je moet die jongen laten opnemen,’ vervolgde Nolle. ‘Ze kunnen onberekenbaar zijn, zulke. Ik heb het pas nog gelezen. Vandaag of morgen staat ie met een mes aan je bed!’ ‘Nooit!’ zei Gustaaf. ‘Hij is een beetje de weg kwijt, maar hij is geen…’ Wards woorden van gisteravond schoten hem te binnen en plots kreeg hij het woord “moordenaar” niet meer over zijn lippen.
‘Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb,’ zei Nolle, en hij gooide de spa over zijn schouder.
Langzaam liep Gustaaf het pad af. De lucht geurde naar lelies en vochtige aarde. Waar hij zijn voeten langs de rand van het grasveld zette, bleven modderige afdrukken achter. Het was hoog water in het Jubelpark.
De hele ochtend werkten de mannen gescheiden. Hun lunch aten ze in stilte. Pas tegen het eind van de middag kwam Nolle opnieuw aangeslenterd. ‘Hoor eens,’ begon hij gebroederlijk. ‘Ik weet dat Ward een goeie jongen is, maar het is niet verstandig om hem thuis te houden. Ze hebben ziekenhuizen waar zulke gevallen verzorgd worden. Ik heb gehoord dat er zelfs genezen zijn!’
Gustaaf dacht aan Ward, hoe hij hem vanochtend op de binnenplaats aantrof: zijn ogen hol en zijn gezicht grauw als dor blad. ‘Ik heb al veel geprobeerd,’ mompelde hij.
‘Precies,’ zei Nolle haast triomfantelijk. ‘En het heeft niet geholpen, wel?’
Gustaaf aarzelde. ‘Hij zal niet willen.’
‘Weet hij soms wat goed voor hem is?’
Het bleef stil.
Nolle gaf hem een klap op zijn schouder. ‘Neem een raad van een goede vriend aan, Gustaaf. Doe het beste voor je zoon en voor jou.’ Hij pakte zijn hark en glimlachte. ‘We kunnen tenslotte niet allemaal helden zijn.’
Gustaaf schoffelde zijn perkje en onthoofdde een stuk of wat geraniums. Hij controleerde drie keer dezelfde rozenstruiken op luizen. Eén keer liep hij het hele park rond zonder te weten wat hij wilde doen. Soms betrapte hij zichzelf erop dat hij minutenlang op zijn hark leunde, verzonken in gedachten die zich als haagwinde in zijn hoofd wortelden, dichter en dichter, vaster en vaster.

Die avond kruimelde Gustaaf met bevende handen een dubbele dosis slaapmiddel door Wards thee. Hij bracht het kopje naar de slaapkamer en keek toe hoe Ward het tot op de bodem leegdronk. Toen ging hij terug naar de woonkamer en wachtte.
Elk kwartier verzon hij een excuus om een kijkje te nemen. De eerste keer lag Ward met open ogen naar het plafond te staren, de tweede keer woelde hij onrustig in zijn bed, de derde keer sliep hij.
Gustaaf boog zich over hem heen en zei zijn naam. Er kwam geen reactie. Hij klapte in zijn handen, vlakbij zijn oor. Niets. Ten slotte liet hij de deur met een knal dichtslaan, waarop de bovenbuurvrouw gilde dat het wel iets zachter mocht, en besloot dat hij er klaar voor was.
Hij haalde diep adem en tilde Ward uit bed.
De jongen was nog lichter dan hij gedacht had. Met een voorzichtigheid die hij normaal reserveerde voor het snoeien van de hortensia droeg hij hem de trap af. Voor de deur stond de kruiwagen, die hij speciaal voor dit doel uit het park had meegenomen. Ineengekruld als een ongeboren baby paste Ward precies in de houten laadbak. Gustaaf pakte het dekzeil van de grond en legde het over zijn zoon heen, zodat er niets meer van hem te zien was. Hij spuwde in zijn handen en greep de handbomen. Ietwat wiebelend duwde hij zijn vrachtje de poort door.
Hoe verder hij de straat uitliep, hoe dieper hij zijn hoofd tussen zijn schouders verstopte. De wielen van de kruiwagen ratelden over de stenen. Iedere voorbijganger leek hem na te staren.
Daar kwam een agent aan, zijn cape als een fladderende vleermuis om hem heen. Onwillekeurig hield Gustaaf zijn pas en zijn adem in. De politieman liep langs hem heen, groette niet eens. Even bleef Gustaaf staan om het zweet van zijn voorhoofd te wissen.
Hij had niet gedacht ooit nog eens zo schichtig over straat te gaan, alsof hij een Amerikaanse gangster in zijn kruiwagen had.
Eindelijk stond hij voor het hek van het park. Gustaaf haalde de grote sleutelbos tevoorschijn en ontsloot de poort.
Onder de triomfboog door liep hij het park in. De paden en perken lagen er verlaten bij. Zacht knikten de viooltjes hem toe.
Gustaaf laveerde zijn kruiwagen naar het midden van een gazon. Hij spreidde het zeil uit op het gras en tilde Ward uit de bak. Zelf ging hij ernaast zitten.
Het wachten begon opnieuw.

Boven hun hoofden dreven de wolken uiteen en er kwam een hemel vol sterren tevoorschijn. Maar Gustaaf keek niet omhoog. Hij liet geen oog af van zijn zoon die sliep in het Jubelpark, zijn gezicht niet langer trekkend, zijn handen niet trillend, in volledige rust. Het kostte hem geen enkele moeite om in deze jonge man zijn kind van vroeger te herkennen, toen Ward de mazelen had en hij waakte bij zijn bed.
Uren verstreken. Soms dommelde Gustaaf wat weg, maar nooit voor lang. Zijn blik bleef gericht op Ward, om de kleinste verandering op te merken. Voorzichtig kwam er wat beweging in hem. Zijn ademhaling werd iets onregelmatiger, af en toe bewoog hij een been. Gustaaf ging rechtop zitten. Het slaapmiddel begon uit te werken.
Langzaam, heel langzaam werd Ward wakker, als een bloem die zich opende voor de zon. Zijn wimpers trilden. Eindelijk sloeg hij zijn ogen op. Gustaaf had zijn hand op zijn schouder gelegd. ‘Welkom terug jongen,’ fluisterde hij. ‘De lucht is helemaal van jou.’

sarah van der maas verhalenwedstrijd
© saskiavanderstichele
Wie is Sarah Van der Maas?

Trouwe lezers van Brussel Deze Week zullen Sarah Van der Maas (20) uit Middelburg in Zeeuws-Vlaanderen zeker nog kennen: vorig jaar won ze de allereerste BDW-schrijfwedstrijd.

In tussentijd kaapte de studente Geschiedenis nog de eerste prijs van een wedstrijd van het Reformatorisch Dagblad weg en momenteel werkt ze aan een debuutroman die bij Uitgeverij Mozaïek zal verschijnen.

"Vorig jaar schreef ik over de Tweede Wereldoorlog, ditmaal wou ik graag iets schrijven over de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. Ik bekeek ter voorbereiding heel wat foto's van het Jubelpark."

Reeks: Schrijfwedstrijd

Schrijf een kortverhaal dat zich afspeelt in Brussel met als thema 'Brussel, bij hoog en bij laag'. Zestig mensen dienden hun verhaal in. De beste acht verhalen worden gepubliceerd in Brussel Deze Week.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

 

Meer nieuws uit Brussel
BRUZZ Magazine
deze week
  • Drugsgeweld in Molenbeek: 'Plots kunnen jongeren hun hele familie onderhouden'
  • Brusselse jongeren: 'We genieten van een dagje zee, maar het stigma blijft'
  • Georgia Brooks richtte de Brusselse 'women only'-businessclub The Nine op
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
deze week
  • Nganji Mutiri: 'Ik wil films maken die men niet van mij verwacht'
  • Smahlo: au micro pour fêter l'indépendance du Congo
  • Michelle Geerardyn shows her work as AB House photographer
  • BRUZZ in the city
  • Archief
Neem een abonnement