Joris Poschet (CD&V): 'Een Pavlov-reflex bij Homans, dat maakt me trots'

Joris Poschet was in Québec op studiereis toen het Waalse verzet tegen handelsverdrag CETA de internationale media in de ban hield. “Men vergeet Brussel soms gewoon in het Vlaams parlement. Dan ben ik er om hen daarop te wijzen. Ik ben er trots op dat ik bij excellenties als Liesbeth Homans of Philippe Muyters een soort Pavlov-reflex heb gekweekt. ‘Ja, mijnheer Poschet, we gaan het ook over Brussel hebben,’ zeggen ze al, nog voor ik één vraag heb gesteld.”

Poschet was er op studiereis met de Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand. De Vlaamse delegatie bezocht Montréal en Québec-Stad. “Als Montréal Brussel is, dan is Québec Gent,” zegt parlementslid Poschet. “Montréal is veel groter en gekleurder. De stad ligt op een eiland en is institutioneel gezien ook heel interessant. De 31 gemeenten zijn ooit verplicht gefuseerd, waarna er een 12-tal weer uitgestapt zijn, vooral rijkere Engelstalige gemeenten. Maar de burgemeester van de stad is ook voorzitter van een soort overkoepelend stadsgewest, om toch een aantal grote lijnen van stadsontwikkeling erdoor te kunnen duwen. De losse gemeenten hebben minder inwoners dan de rest, en kunnen dus altijd ‘overruled’ worden.”

Jullie gingen er ook naartoe om de taalsituatie en -regels te bestuderen.
JORIS POSCHET:
Ik voelde mij als Vlaamse Brusselaar of Brusselse Vlaming of Nederlandstalige in Brussel meer verwant met de Engelstaligen in Montréal. Die zijn een minderheid in een Franstalig gebied, in een in meerderheid Engelstalig land. Net zoals ik hier, als Nederlandstalige. Ik heb daarom ook gevraagd hoe de rechten van de Engelstaligen gevrijwaard worden. Er is bijvoorbeeld een regel in Québec die zegt: de Franse tekst moet op affiches of aanwijsbordjes altijd dubbel zo groot staan als de Engelse. Alles wat officieel in het Frans gedeponeerd is als merknaam, moet er ook gebruikt worden. Het is dus geen ‘Starbucks Coffee’ maar ‘Café Starbucks’.
Ik begrijp de Franstalige Canadezen wel. Ze zijn met acht miljoen op een continent van driehonderd miljoen Engelstaligen, en hun bevolking krimpt, terwijl de provincie een oppervlakte van vijftig keer België heeft. Zij denken: ‘Als wij geen mensen importeren, verdwijnen onze cultuur en taal. Dus moeten we ons openstellen. Multicultureel, maar met het Frans als verbindende factor.’ Ze dompelen iedereen onder in een bain de francisation. Ze proberen dat niet alleen te doen met de stok, maar ook met de wortel: ze willen nieuwkomers ook verleiden met interessante culturele evenementen.
Ik denk dat dat het enige is wat wij kunnen leren van hen voor de situatie van het Nederlands in Brussel: dat wij het Nederlands nog meer moeten promoten, in de markt zetten als een taal waar je dingen mee kan, waar je plezier aan kan beleven. Ik zie ook niet in hoe je op een wettelijke manier een verfransingstendens kan keren in het Brussels Gewest.

U omschreef zich net als ‘Vlaamse Brusselaar, Brusselse Vlaming of Nederlandstalige in Brussel’. Waarom?
POSCHET:
Van het onderscheid tussen Vlaamse of Nederlandstalige Brusselaar ligt volgens mij geen enkele burger wakker. Dat is voer voor de politique politicienne. ‘Brusselse Vlaming’ voel ik me als ik op mijn strepen moet staan. Onlangs ging ik in Jette langs in de winkel van mijn mobiele telefoonoperator. De verkoper vroeg me of ik gewoon geen Frans kende. ‘Ja, maar ik wil in mijn eigen taal bediend worden,’ antwoordde ik.

En wat gebeurde er toen?
POSCHET
: Toen ging hij verder in het Engels, wat ik eigenlijk nog erger vind. Daarmee willen ze tonen: ook ik ken nog andere talen, alleen niet uw taal. Terwijl in Jette toch een vierde of misschien zelfs een derde van zijn klanten Nederlandstaligen zijn.
Als je als Nederlandstalige even niet op je qui-vive bent, als je denkt dat het allemaal wel zal loslopen, dan kan het tij heel snel keren. Het feit dat het Nederlands nu meer en meer gesproken wordt door anderstaligen in Brussel, heeft alleen maar met de economische situatie te maken. Als de Vlaamse economie niet sterker was geweest, zou de aandacht voor het Nederlands veel minder zijn.

Uw bezoek aan Canada viel samen met het Waalse verzet tegen CETA. Hoe was de reactie daar?
POSCHET
: Ze waren blij om eindelijk ook eens een Vlaamse delegatie over de vloer te krijgen. Hoewel wij daar waren vanuit onze gemeenschapsbevoegdheden, is CETA wel vaak aan bod gekomen. Al was het alleen al als vervanger van het woord cheese om ons bij groepsfoto’s te doen glimlachen. (lacht)
De Canadezen begrepen de angst die er heerst voor zo’n handelsakkoord. Vanuit Québec zijn er heel wat telefoontjes richting België gepleegd. Canada heeft, denk ik, handig gebruikgemaakt van zijn Franstalige deel om de Belgische ‘dwarsliggers’ te bewerken.
Wij hebben hun ook proberen duidelijk te maken dat dit wellicht een intern politiek spel was. De PS is in de peilingen gezakt, en de PVDA sterk gestegen. Als je je dan op de Europese weekbladcovers kan voordoen als de nieuwe Ché Guevara of Alexis Tsipras, is dat natuurlijk handig meegenomen.

U heeft zelf in Vlaanderen mee een resolutie ingediend om het CETA-verdrag te ratificeren. Waarom bent u pro?
POSCHET
: Ik heb niet alle 1.400 pagina’s van het verdrag gelezen, maar wel onder meer de joint interpretative declaration. Toen ik merkte dat thema’s als onderwijs, media, cultuur, gezondheidszorg er allemaal niet onder vallen, zag ik geen bezwaren. De pijlen zijn op CETA gericht in de nasleep van de hetze rond TTIP.
Wat Magnette in de wacht heeft gesleept, heeft aan de oorspronkelijke tekst niks veranderd. Er zal alleen een evaluatie komen van het systeem van rechtbanken.

Maar zonder verzet waren het wel zakenadvocaten geweest die over internationale handelsdisputen geoordeeld zouden hebben.
POSCHET
: Waarschijnlijk wel. Dat heeft Magnette wel binnengehaald. Hij heeft het slim gespeeld. Wij als doorgewinterde Belgen voelden wel dat het uiteindelijk zou landen, ergens in een nachtelijke vergadering, maar de Canadezen werden ongerust. Uiteindelijk is het verdrag er een stukje beter op geworden, maar ik blijf erbij dat het risico op afspringen van het akkoord erger was dan die kleine verbetering.

U bent een van de zes Vlaamse Brusselaars in het Vlaams parlement die daarom alleen gemeenschaps- en geen gewestbevoegdheden hebben. Hoe zien de anderen jullie?
POSCHET
: Het is opvallend dat veel van onze collega’s niet weten dat we niet mogen stemmen over gewestmateries. Wat ik persoonlijk wel belangrijk vind, is dat ik een soort Pavlov-reflex gekweekt heb bij een aantal excellenties. Als Liesbeth Homans (N-VA-minister van Binnenlands Bestuur, red.) mij ziet zitten, zegt ze meteen: “Mijnheer Poschet, we zullen Brussel ook bespreken.” Daar ben ik wel trots op. Ook Philippe Muyters (N-VA-minister van Sport, red.) weet dat ik telkens blijf hameren op voldoende investeringen in sportinfrastructuur in Brussel, iets wat hij niet genoeg doet.

Van die zes profileert u zich het sterkst als een Brusselaar. Waarom legt u daar de nadruk op, of kiest u niet voor één beleidsdomein zoals uw SP.A-collega Yamila Idrissi?
POSCHET
: Ik vind dat wij er zitten om de belangen van de Brusselaars te verdedigen, op alle terreinen. Men vergeet Brussel soms gewoon in het Vlaams parlement. Dat is geen kwade wil, maar vaak wordt er niet over nagedacht hoe iets moet worden toegepast in Brussel. Dan ben ik er om hen daarop te wijzen.
Als het gaat over de Brusselnorm, die Vlaanderen hanteert voor zijn investeringen in Brussel, raak ik soms geërgerd. U weet wel, de norm die ervan uitgaat dat dertig procent van de Brusselaars gebruikmaakt van het Vlaamse aanbod, zoals scholen, gemeenschapscentra, kinderopvang, en dat in totaal vijf procent van de gemeenschapsmiddelen gespendeerd moet worden aan die Brusselaars.
Die norm is al lang achterhaald. Als je die vijf procent van de middelen afzet tegen de rest van Vlaanderen, neem je ook de Westhoek of het Pajottenland mee. Maar een aantal problematieken is typisch stedelijk, zoals integratie en inburgering. Als je die dertig procent van de Brusselaars, dus zo’n 350.000 man, vergelijkt met andere grote steden in Vlaanderen, zouden wij méér geld moeten krijgen. Eerder vijftien procent.
Dat geldt ook voor armoedebestrijding, of middelen uit het Stedenfonds bijvoorbeeld. Als je daar een derde van Brussel zou bijtellen, wordt dat meteen de tweede stad, groter dan Gent. Dus hebben wij eigenlijk recht op zeventien procent van de middelen van het Stedenfonds.
Zelfs als je argumenteert dat de helft van de middelen naar gewestmateries gaat, zouden we nog altijd 8,5 procent moeten krijgen. Dat is lang niet het geval. Ik pleit daarom voor een nieuwe Brusselnorm. Ik vrees dat die er deze legislatuur niet meer zal komen, maar ik wil er wel mijn borst voor natmaken als we ooit nog eens kunnen meedoen aan een meerderheid.

In 2015 verhuisde u van Watermaal-Bosvoorde naar Jette. U was daar nochtans OCMW-raadslid en voorzitter van gemeenschapscentrum WaBo.
POSCHET
: Ik kende Jette al lang, omdat ik vier jaar voor Brigitte De Pauw heb gewerkt. Ik kende zelfs ongeveer elke brievenbus in elke straat (lacht). Je krijgt er veel meer waar voor je geld als je een appartement koopt, en daarom besloot ik naar Jette te verhuizen. Er wonen veel meer Nederlandstaligen, en ook sociologisch voelt Jette ‘Vlaamser’ aan. In Bosvoorde heb je een hele grote groep rijke mensen, en dan een groep bohemiens. Jette is wat meer de Vlaamse middle of the road. Je voelt je er snel thuis, ook door de actieve parochie.

In 2019 zijn er gewestelijke verkiezingen. Zou u dan graag overstappen naar het Brussels parlement?
POSCHET:
Ik doe mijn werk hier in het Vlaams parlement graag en zou dat het liefst voortzetten, als dat lukt. De omkadering is beter, de diensten zijn goed georganiseerd. In het Brussels parlement gaat het soms ook over heel lokale kwesties. Anderzijds mis ik soms wel de Franse invloed: het is me hier soms een beetje te afgeborsteld, te afgemeten. In het Brussels parlement komt af en toe dat Latijnse pathos naar boven, die ik wel kan waarderen. Bon, ik ben beschikbaar voor de partij, als het moet Europees (lacht).
Er is in Brussel nood aan een partij die verbindt. En mekaar ontmoeten doe je in het midden. Als mensen het gekibbel beu zijn, zullen ze moeten durven te stemmen op een partij die de consensus zoekt en niet vooral wil scoren met tweetable quotes.
Als wij niet groeien in 2019, hebben we een levensgroot probleem. In 2009 zaten we in een Vlaamse coalitie met SP.A en N-VA. Schitterend, dacht ik: én Vlaams én sociaal, én het midden erbij. Dat sociale werd tenietgedaan door de N-VA, die steeds meer naar rechts opgeschoven is. Als ik de tweets van sommige N-VA-collega’s lees, dan zijn dat uitspraken die vroeger door Filip Dewinter werden gedaan. Dat passeert nu allemaal maar.

joris poschet

  • 33 jaar, geboren in Temse
  • 2001-2006: master Oost-Europese Talen en Cultuur en master Europe & the world 1500-2000 (KU Leuven en Universiteit Warschau)
  • 2006: corporate credit officer KBC
  • 2008-2012: fractiemedewerker CD&V in Brussels parlement
  • 2012-2014: communicatiemedewerker van toenmalig Brussels minister Brigitte Grouwels (CD&V)
  • 2013: voorzitter Jong CD&V Brussel
  • 2014: Vlaams parlementslid, verkozen als eerste opvolger kieskring Brussel-Hoofdstad
  • 2015: verhuist van Watermaal-Bosvoorde naar Jette
Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?