Sven Gatz: 'Nederlandstaligen in elke klas, die luxe hebben we niet meer'

Bettina Hubo, Steven Van Garsse
© Brussel Deze Week
05/11/2014

Sven Gatz (Open VLD), de nieuwe Vlaamse minister voor Brussel, wil niet per se een groot, Muntpuntachtig project achterlaten in de stad. “Ik heb geen natte dromen over een eigen landmark,” zegt hij. “Mijn grote ambitie is om ervoor te zorgen dat elk kind een goede plaats heeft in het Nederlandstalig onderwijs.”

G atz, ook minister van Cultuur, Media en Jeugd, lag de afgelopen weken zwaar onder vuur vanwege de aangekondigde besparingen op cultuur. De kritiek komt vooral vanuit de in Brussel sterk aanwezige kunstensector, die 7,5 procent moet inleveren. Een lineaire besparing, zo lijkt het, terwijl Gatz eerder aangegeven had dat de sector in tijden van schaarste vooral behoefte heeft aan ‘punctueel wieden’.

Gatz: “Dat gaat ook gebeuren. We hebben daar gewoon de tijd nog niet voor gehad. Volgend jaar zullen er in het kader van het kunstendecreet keuzes worden gemaakt. En dat zal vooral in de middencategorie gebeuren. Want je kan moeilijk snoeien in de kleintjes. Onderaan moeten nieuwe initiatieven kunnen ontstaan. Dat is de essentie van een kunstenbeleid. We gaan de Sidi Larbi’s in spe, die nu nog in hun garage dansen, niet zeggen dat ze niet meer mogen meedoen. Aan de bovenkant heb je de zeven grote Vlaamse instellingen, zoals de Ancienne Belgique, die minder moeten besparen en vanaf 2017 meer armslag zullen krijgen. Dat is zo afgesproken in het regeerakkoord en ik wil dat loyaal ondersteunen. Maar zij zullen ook meer verplichtingen krijgen ten aanzien van de kleinere. Blijft over om in te wieden, de middengroep. Sommige middelgrote organisaties zullen kunnen doorgroeien. Zo gaan we kijken of stadstheaters als de KVS een bijzonder statuut kunnen krijgen. Voor anderen zal de beslissing negatief uitvallen, niet omdat ik mensen hun dromen onmogelijk wil maken, maar omdat de middelen er niet meer zijn om iedereen een podium te geven.”

De AB krijgt meer armslag, terwijl het ook een commerciële concertzaal is.
Sven Gatz: “Klopt, ik weet dat de AB tachtig procent van haar inkomsten op eigen kracht binnenhaalt, maar moeten we hen daarom niet subsidiëren? Zeker wel. Want anders zou die instelling alleen maar commerciëler worden en zou er van initiatieven als Artists in Residence niet veel overblijven. De zaal is eind jaren 1970 ook ontstaan als sociaal, cultureel en politiek project, met name om de betere Nederlandstalige muziek een plaats te geven. Dat doet de AB vandaag nog altijd, minder dan vroeger en misschien moeten we het daar eens met hen over hebben. In elk geval: voor die twintig procent subsidies krijg je als Brusselse Vlaming een hele grote maatschappelijke return.”

Onlangs pookte uw coalitiepartner N-VA de discussie op of Brussel in tijden van besparingen wel een nieuw museum voor hedendaagse kunst moet oprichten aan het kanaal. Wat vindt u?
Gatz: “Ik zeg ondubbelzinnig ja. Het is een goed idee, vooral op die plaats. Het is niet omdat je nu moet besparen dat je niet meer over de toekomst kan nadenken. Want investeringen in een ambitieus project, of ze nu aan Sainctelette of in Ruisbroek gebeuren, hebben altijd heel wat voeten in de aarde. Voor je het weet ben je vier, vijf jaar verder.”

Als Vlaams minister voor Brussel wilt u beter samenwerken met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). Gaat u de subsidies niet oormerken, zoals uw voorganger Pascal Smet?
Gatz: “Neen, nu onze middelen en ook die van de VGC beperkt zijn, is de noodzaak om samen te werken nog groter geworden. We gaan niet opnieuw een kerntakendebat houden over wie nu welke bevoegdheden heeft. Maar we gaan wel kijken, op vlak van cultuur, van onderwijs en welzijn, hoe we de dingen beter op elkaar kunnen laten aansluiten. Het feit dat de voorzitter van de VGC en vice-minister-president van het Brusselse regering, Guy Vanhengel dus, en ikzelf van dezelfde obediëntie zijn, vergemakkelijkt het overleg. Wat niet betekent dat we een soort Vanhengel-Gatz-beleid gaan voeren en dat Smet en Debaets (nu VGC-collegeleden voor SP.A en CD&V, red.) niet ter sprake komen.”

U pleit in uw beleidsnota voor een sterk Vlaams taalbeleid in Brussel. Het Nederlands is een middel tot emancipatie en moet gepromoot worden, de taalwetgeving moet afdwingbaar zijn. Werd u voor deze paragrafen geïnspireerd door N-VA?
Gatz: “Neen, want bij mij komt het vanuit een meer ethische invalshoek. Door mensen Nederlands te laten leren, geef je ze meer kansen op werk en in de samenleving. Ik citeer graag mijn goede vriend en ex-collega wijlen Jos Chabert: ‘Een taal meer is een brood meer op tafel.’ Dat klopt nog altijd. De rol van het Nederlands als taal van de opwaartse sociale mobiliteit staat buiten kijf. Die moeten we verder uitspelen. Dat raakt natuurlijk wel aan de wens van N-VA voor meer Nederlands in Brussel. Alleen: zij hebben een meer strategische invalshoek, ik een meer ethische, ook wel met een strategisch element. Maar dat kan men mij als Vlaams-Brusselse politicus niet verwijten.”

Er komt ook een N-logo voor alle door Vlaanderen gesteunde initiatieven in Brussel. Zullen de Franstaligen niet denken: de Vlamingen planten hun vlag?
Gatz: “Neen, waarom nu? Zo’n logo is bedoeld als kwaliteitslabel. En het wordt niet noodzakelijk een dier met lange manen. Stel, puur hypothetisch, dat we grafisch uitkomen op een rode bol met een roze achtergrond, dan is het de bedoeling dat een buitenstaander de link legt met kwaliteit: dit is een Vlaamse instelling die goed werk levert in Brussel. Dat is alles.”

U wilt zich inzetten voor voldoende capaciteit in het Brussels Nederlandstalig onderwijs. U deelt dus niet de visie van Smet dat de spoeling, oftewel het aantal Nederlandstaligen in de klasjes, niet te dun mag worden?
Gatz: “Neen, die luxe hebben we niet meer nu de bevolkingsdruk zo groot geworden is. Het gaat er nu om om voor elk kind een deftige plaats te vinden. Als ouders een plek in een Nederlandstalige school willen, wie ben ik dan om te zeggen: ja maar, er moet wel een bepaald percentage Nederlandstaligen in elke klas zitten.”

Het Brussels regeerakkoord voorziet in de oprichting van een tweetalige lerarenopleiding, als opstapje naar tweetalig onderwijs. N-VA reageert afwijzend. Wat vindt u?
Gatz: “Er zijn nog maar heel weinig eentaligen in Brussel, taalgemengdheid is nu de norm. Dus kan je de openheid naar andere talen in het Nederlandstalig onderwijs vergroten. Maar je moet wel nadenken over wat je wilt bereiken. In het Nederlandstalig onderwijs is er nu de facto al een grote meertaligheid. Door het nog meertaliger te maken, zou je ongewild de positie van het Nederlands kunnen verzwakken. Scholen laten samenwerken en leerkrachten uitwisselen, lijkt mij dan ook zinvoller.”

U herbevestigt in uw beleidsnota de Brusselnorm, het principe dat Vlaanderen dertig procent van de Brusselaars als doelpubliek ziet. Maar is daar geld voor?
Gatz: “In 1999 ben ik erin geslaagd om die Brusselnorm in het Vlaamse regeerakkoord te krijgen en ze zit er nog steeds in. Ik geef wel toe dat de Vlaamse Gemeenschap op geen enkel domein aan een marktaandeel van 30 procent komt. Alleen in het lager onderwijs komen we in de buurt, met 22 à 23 procent. Maar de Brusselnorm is ook geen fetisj, wel een streven. We willen ermee aangeven dat de Vlaamse instellingen in Brussel er niet alleen zijn voor de van huis uit Nederlandstaligen, maar voor 30 procent van alle Brusselaars. En er is geld in die zin dat de Brusselnorm aangevuld wordt door een andere norm, namelijk dat vijf procent van de totale Vlaamse gemeenschapsmiddelen naar Brussel moet gaan.”

Nu de sociale zekerheid door de zesde staatshervorming al een stukje gesplitst wordt, gaat u ook moeten waken over de sociale bescherming van de Vlaamse Brusselaars.
Gatz: “Ja, ik zal moeten bemiddelen tussen wat Vlaanderen wil en wat de GGC (Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie) van plan is. Mijn streven is om het verschil tussen het Vlaams regime en dat van Brussel zo klein mogelijk te houden.”

Over Muntpunt schrijft u dat de bibliotheek haar publiek moet herwinnen. Maar moet de bib ook niet op zondag open zijn, zoals destijds beloofd was? Ook in Parijs en Amsterdam zijn de grote bibs open op zondag.
Gatz: “Als blijkt dat daar nood aan is, waarom niet. Maar ik moet ook onderzoeken of het betaalbaar is. Onze arbeidswetgeving is niet echt afgesteld op zondagswerk.”

U moet nu vooral besparen, maar wat wilt u verwezenlijken in Brussel? Wat wordt uw Muntpunt?
Gatz: “Ik heb geen Muntpunt. Echt waar, ik heb geen natte dromen over een eigen landmark in de stad, toch geen landmark in de hoogte. Mijn belangrijkste punt deel ik volledig met Guy Vanhengel: voor elk kind een plek in het Nederlandstalig onderwijs. En als ik er daarnaast de komende vijf jaar in slaag om een goed cultuur-, jeugd- en mediabeleid uit te bouwen en ook de ontwikkelingen op welzijn te volgen, dan zal ik heel tevreden zijn.”

U gaat het Vlaams Brusselbeleid dus eerder continueren en niet, zoals Bert Anciaux destijds, allerlei nieuwe projecten initiëren.
Gatz: “Inderdaad en ik ben daar niet beschaamd om. Er zit een grote continuïteit in het Vlaams Brusselbeleid van de laatste decennia. Anciaux had één groot voordeel: er waren middelen, je kon dus ook wat ‘zottere’ dingen doen.”

Een zot ding zoals Daarkom?
Gatz: “Daarkom is een ‘fijne erfenis’. Ik kan begrijpen dat Bert een plek voor de Marokkaanse cultuur wilde maken. Of het verstandig was om dat via een interstatelijk verdrag met Marokko te doen, kan betwijfeld worden. Maar goed, het huis is er. Het heeft intussen zijn vierde of vijfde adem gevonden. Er zijn al wat meer activiteiten, niet zozeer dankzij een eigen programmering, maar door de verhuring van zalen. Half november zie ik de ambassadeur en ga ik er met hem in alle rust over praten.”

Is stoppen een optie?
Gatz: “Ik sluit geen scenario uit, maar stoppen ligt niet voor de hand omdat het project opgezet is tussen een deelstaat en een staat. Dan kijk ik liever vooruit, naar wat wel kan.”

Een Jetse vraag om af te ronden. Het dossier van jeugdhuis De Branding sleept al jaren aan. Nu het bouwdossier rond is, blijkt het budget onvoldoende. Gaat u de jongeren aan hun jeugdhuis helpen?
Gatz: “Het is heel simpel: half februari loopt de bouwvergunning af. Als dan de eerste steen niet gelegd is, begint alles van voren af aan. Samen met Brussels minister voor Jeugd Pascal Smet (SP.A) ga ik bekijken hoe we tot de beste oplossing kunnen komen. Tegen het eind van de maand moet die gevonden zijn. Als we op die manier een extra Brussels jeugdhuis krijgen, is dat een goede zaak. Het is geen landmark, maar wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd.”

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

Lees meer over: Politiek

Iets gezien in de stad? Meld het aan onze redactie

Site by wieni