Ever Meulen: ‘We hadden geen geld en we aten slecht’

© Saskia Vanderstichele

Lijstjes met opdrachten hoeven niet meer voor Ever Meulen die er dit jaar 70 geworden is. Maar tekenen doet hij nog altijd graag en minutieus. Zo ook de tekening die hij voor BRUZZ heeft gemaakt. “Ik had mijn carrière niet mooier kunnen dromen,” zegt hij.

Ever Meulen tekent de jongste jaren nog amper in opdracht. Hij is nu vooral bezig met zijn twee kleinzonen en zijn twee oldtimers. Dat is best wel wennen. “Ik heb nooit de ambitie gehad om carrière te maken in de grote kunstenwereld of in het circuit van de kunstgalerijen, ik wou publiceren in kranten en bladen zodat de mensen mijn werk konden zien. Mijn tekenwerk is geen vrije kunst, ik maak toegepaste grafiek. Ik ben een tekenaar met het nodige ambacht en fantasie zodat tekenen in opdracht voor mij geen probleem was.

Ik documenteerde mij goed en vond het tof om telkens weer andere onderwerpen aan te pakken. Dat kostte wel wat tijd want ik werk traag en ben niet snel tevreden. Bij elke opdracht wou ik iets nieuws proberen zodat tekenen geen routine wordt.

Van elke opdracht heb ik een dossier, met schetsen, correspondentie en verschillende versies. Vaak tekende ik een nachtje door en vertrok dan ‘s morgens met het resultaat naar de opdrachtgever. Als het werk terugkwam van de drukker bracht ik nog wijzigingen aan. Ik kon vaak zo‘n opdracht niet loslaten. Van die betere versie verscheen meestal een kunstprent bij uitgeverij Plaizier.”

Ook aan de poster die u middenin deze krant vindt is Ever Meulen blijven werken. Het is het eerste deel van een bestaande triptiek die hij speciaal voor BRUZZ herwerkte. Deze prent vertelt de aankomst in Brussel van de jonge West-Vlaming Eddy Vermeulen en zit vol verwijzingen naar de stripfiguren waarrond zijn hele jeugd draaide. Het is een portret van de man die bekend werd met covers van Humo, affiches van Mallemunt, Kaaitheater en Beursschouwburg maar die ook in Frankrijk, Nederland, en zelfs in Finland aan de bak kwam. Ever Meulen tekent nog altijd met volle overgave en hij vergeet zijn ‘oude leermeesters uit de stripwereld’ niet: Hergé, Franquin, Macherot en grafisch artiest en schilder Frans Masereel.

Aankomst in Brussel
Ever Meulen: “Toen ik midden de jaren 1960 uit het Zuidstation stapte en Kuifje me vanop de Lombardbuilding aankeek, voelde ik me direct thuis. Al vanaf mijn prille jeugd wou ik striptekenaar worden. Voetballen met de vrienden deed ik niet, maar ik tekende, las stripverhalen en tekende die na. Aan Sint-Lucas in Gent had ik al een eerste grafische opleiding gekregen, daar leerde ik echt tekenen. Ik kreeg goede cijfers en behaalde prijzen met mijn eerste cartoons. Luc Verstraete, zelf ook cartoonist en een vermaarde affichemaker zat in de jury voor mijn eindwerk, hij was leraar aan Sint-Lukas in Brussel. En hij verleidde mij om verder te studeren in de hoofdstad.”

“Zoals Franquin in de Robbedoesverhalen de scheve antennes op de Brusselse daken tekende, zo zag ik ze bij mijn aankomst in het Zuidstation. En die eeuwige vliegtuigen boven de stad, waren in mijn fantasie de gevechtsvliegtuigen van Blake en Mortimer. Robbedoes was dan weer een mascotte op de motorkap van een Amerikaanse slee. De toren van de Anderlechtse Sint-Guidokerk doet dienst als lanceerbasis voor Raket naar de maan van Kuifje. De jaren 1960 waren ook de jaren waarin het WTC gebouwd werd, in mijn tekening is de toren van het stadhuis nog nauwelijks te vinden tussen de buildings van Paul vanden Boeynants. Brussel was toen nog een bruisende stad, niet alleen voor Jacques Brel, met typische besnorde politieagenten, gele trams, oranje taxi’s en zowat overal ‘moderne’ overblijfsels van Expo 58. Rechts van de tekening zie je hoe ik na mijn grafische carrière in de stad - ik won er in 2012 de Henri van de Velde-award voor mijn loopbaan - naar de groene Rand trek, vermomd als Kolonel Clifton met in mijn zog de jongste familieleden. Trouwens, de Cinquantenaire en de weg naar Tervuren vind ik nog altijd het mooiste stuk van Brussel.”

Zavel met frietkot
Ever Meulen: “In de jaren 1960 was het leven in Brussel gemakkelijk en goedkoop. Brussel was een klein charmant stadje met niet te veel hoofdstadallures. Maar het spetterde er wel, vooral in het Paleis voor Schone Kunsten met zijn filmmuseum en in Théâtre 140 aan de Plaskylaan in Schaarbeek. Mijn eerste kot was aan de Poststraat in Schaarbeek, vlakbij Sint-Lukas. Later kwam ik terecht in een huis aan de Ruisbroekstraat vlakbij de Zavel. Samen met studenten van het RITCS en het INSAS huurden we een groot huis met binnenkoer en achterhuis. Ik heb daar de eerste lichting studenten van het RITCS gekend, onder wie de bekende cameraman Walther van den Ende en Ludo Bex, ook Paul Jambers kwam er dikwijls langs.”

“Vanuit mijn zoldervenster zag ik de blinkende beelden op het dak van het museum voor Schone Kunsten. De dichter Marcel van Maele zat bij ons in de tuin wijn te drinken en die andere dichter Herman J. Claeys was ook kind aan huis, wellicht voor de gratis wijn. Toen Herman met De Dolle Mol begon heb ik de eerste affiche voor zijn café gemaakt, ook gratis. Marcel Broodthaers, zowat de Brusselse Picasso, liep bij ons binnen lang voor hij in 1974 met zijn kameel het PSK binnenstapte. Dat waren natuurlijk vrienden van mijn vrienden, mijn Frans was toen nog te beperkt voor een artistieke discussie. Ik ben nooit een grote prater geweest, ik observeerde en tekende zoveel mogelijk.”

“Het was een prachtige tijd, we hadden geen geld, we aten slecht, maar we ontdekten alles wat een kunststudent kon inspireren. Als we honger hadden, liepen we de straat uit en kochten we een pak friet op de Zavel.”

Guy Mortier en Elvis Presley
Ever Meulen: “Dankzij Guy Mortier heb ik een snelle start kunnen nemen. Ik stapte op een dag bij Humo binnen, mijn legerdienst was amper achter de rug, met een map tekeningen onder de arm. Portretten en karikaturen van Elvis Presley, The Beatles en Frank Zappa, ik was toen een echte popmuziekfanaat. Guy Mortier bekeek mijn tekeningen, zei: ‘waw’ en ik kon aan de slag. Na de eerste opdracht kreeg ik meteen een tweede en ik had werk. Het klinkt blasé, maar het ging allemaal vanzelf. Dankzij Mortier en zijn vrolijke visie op taal piekte Humo en ik heb daar als tekenaar mee van geprofiteerd.”

“Mortier daagde me uit met heel verschillende thema’s. Op de poppagina’s moest een tekening komen van Rod Stuart, en de week nadien ook een poster met Roxy Music. Tegen de volgende dag graag een cover bij een dossier psychiatrie en een illustratie bij de serie over ‘Het Rode Orkest’. Daarbij wekelijks een ‘kop’ boven de ttt-pagina’s, liefst grappig!”

“Ik deed dat zeer graag, werkte hard en ineens wilde iedereen mijn tekeningen. De culturele sector met de Beursschouwburg en het Kaaitheater maar ook de reclamesector werden mijn nieuwe opdrachtgevers. Ik had toen trouwens een agent in Parijs, die had zichzelf aangeboden en nam veertig procent commissie. Bij Humo heb ik de nieuwe lichting journalisten leren kennen van de eerste ’Mortier-brigade’, met onder andere Marc Didden, Piet Piryns, Daan Delannoy, Guido van Meir en wijlen Herman De Coninck. En alhoewel ik niet op de redactie werkte, ik ben heel mijn leven zelfstandige geweest, was ik er echt de huistekenaar. Ik heb er ook de jonge Kamagurka binnengehaald die me in zijn Oostends was komen vragen of ik hem wou introduceren bij het Nederlandse stripblad Tante Leny. Humo was ook het lijfblad van Koot en Bie en dus werden mijn Humotekeningen ook in Nederland bekend.”

“De redactie van Humo was toen gevestigd in de Livornostraat bij uitgeverij Dupuis waar ook het weekblad Robbedoes zat. Zo liep ik tekenaars als Franquin, Morris en Peyo tegen het lijf in de trappenhal. Die hadden mijn eerste Humocovers al opgemerkt en zo heb ik op een spontane manier kunnen kennismaken met die grote mannen.”

Willem en Charlie Hebdo
Ever Meulen:”Ik kan anoniem in Brussel rondlopen, ondanks mijn deukhoedje. Mijn succes in Franstalig België en het buitenland dateert vooral van de jaren 1980. Franstalig Brussel, dat was Telex van Marc Moulin waar ik de platenhoezen voor tekende, ik maakte ook een generiek voor het muziekprogramma Génération 80 op de RTBF. In Amerika tekende ik voor het blad Raw en voor Playboy Chicago, in Nederland voor Vrij Nederland en in Frankrijk voor Libération. Mijn tekenstijl, de zogenoemde klare lijn, was erg in trek in Frankrijk dankzij de Nederlandse cartoonist Willem die bij Charlie Hebdo werkte. Willem had ook een eigen stripblad Surprise waarvoor ik covers tekende. Toen Feu Vert, mijn eerste boek, in Frankrijk verscheen, kreeg ik meteen opdrachten uit Tokio waardoor ik een complete kalender voor Honda heb gemaakt.”

Oldsmobile
Ever Meulen: “In 1974 was ik met mijn broer in het grensstadje Menen. ‘Schone auto,” zei mijn broer, wijzend naar een oude Oldsmobile uit 1949 die wat haveloos geparkeerd stond langs de weg. De auto was inderdaad zeer mooi, maar de achterruit was stuk en de V-8 motor zat helemaal vast. Maar ik ben meteen naar de bank gestapt, heb 5.000 frank van mijn eerste spaargeld afgehaald en heb de auto gekocht. De groene Oldsmobile is eerst enkele jaren in de garage van mijn vader in Kuurne blijven staan, want ik kende toen nog niets van automechaniek. Ondertussen is de auto helemaal uit elkaar gehaald, en is elk vijsje gekuist en herschilderd. Sleutelen doe ik graag als compensatie voor het stilzitten aan de tekentafel. In Anderlecht heb ik een typisch servicestationnetje op de kop getikt waar het heerlijk sleutelen is. Die oude garage was trouwens mijn eerste tekenatelier in Anderlecht. De grote Oldsmobile met de vermaarde ‘rocket’ motor is eigenlijk te mooi om mee op straat te komen. Ik heb wel een tweede oldsmobile, ook uit 1949, waar ik overal mee naartoe kan. Auto’s, jukeboxen en al die mooie vormen van vroeger hebben mij altijd geïnspireerd. Ik tekende de Oldsmobile zelfs op de Humocover bij een dossier automobiel en mijn moeder maakte van de tekening een mooi smyrnatapijt.”

Smekens en Anderlecht
Ever Meulen: “Mijn vrouw Viviane, de zus van jullie oud-collega Freddi Smekens, is van Anderlecht. We hebben er tien jaar heel graag gewoond. In de jaren 1970 en 1980 woonden daar nog veel Vlaamse Brusselaars en met het voetbalstadion in het Astridpark is Anderlecht toch wel speciaal. Als er een goal gemaakt werd, hoorden we het gejoel tot in onze huiskamer. We wilden er graag blijven en hadden een optie op een klein modernistisch huis aan de Lenniksebaan. Maar toen de akte definitief moest verleden worden, liet de notaris ons weten dat de eigenares het huis liever aan de buurman verkocht, waardoor we dan uiteindelijk hier in Sint-Lambrechts-Woluwe beland zijn in een straat met een mooie naam.”

“Mijn schoonvader Louis Smekens was een sportieve durver, hij was bij de eerste lichting parachutisten van net na de oorlog en hij speelde bij RSCA. Weliswaar bij de reserven, maar overal in Europa waar Anderlecht ooit speelde, van Finland tot in Madrid, tekende Louis present. Je begrijpt dat de oude Smekens heel trots was op zijn dochter toen zij directeur werd van een atheneum met veel jonge voetballers op de schoolbanken, van wie Vincent Kompany wellicht de bekendste is.”

“Mijn tekencarrière voor de pers zit er nu op, het is mooi geweest. Ik heb graag en veel getekend, nooit moest ik solliciteren want ik had altijd een lijstje met interessante maar dringende opdrachten. Hard gewerkt, maar ik had het niet mooier kunnen dromen toen ik vijftig jaar geleden in het Zuidstation uitstapte.”

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?