Het pakhuisgehalte van de stad

De Amerikaanse historica Sara Wermiel is een verdedigster van pakhuizen, uiterst kwetsbaar erfgoed. Met Brains (back) to Brussels, een beurs van Innoviris, onderzocht ze samen met de VUB-vakgroep ARCH het 'pakhuisgehalte' van Brussel.

'P akhuizen," zegt Sara Wermiel, "vertellen ons iets over hoe onze handel vroeger verliep, toen havens nog diep in onze steden doordrongen, en ze zijn getuigen van de innoverende bouwprocessen."
Maar om iets over de evolutie te leren, moet je de gebouwen eerst kunnen zien, vindt ze. Daarom was er naast bronnenstudie, zoals de inventaris van industriële architectuur van de Archieven voor Moderne Architectuur (Civa) en La Fonderie, ook veldwerk nodig.

Het eerste wat Wermiel opviel, was dat ze geen echte pakhuizenwijk vond. "Meestal vind je pakhuizen gegroepeerd, zoals in Boston, in het Fort Point Channel District, of in de oude haven van Hamburg langs de pakhuizenstraat Cremon, wat altijd een bijzondere sensatie is. Muren van vijftig pakhuizen lang zoals in Amsterdam zijn er in Brussel waarschijnlijk nooit geweest. Bovendien verschillen de pakhuizen hier visueel meer van elkaar dan in bijvoorbeeld Amsterdam - maar dat geldt ook voor andere architectuur - en staan ze ook dikwijls midden in een huizenblok."

Toch werden er nog honderddertig pakhuizen teruggevonden in de buurt van de Zenne en de eerste haven in het centrum van Brussel en - toen de handelsactiviteit verschoof na het dempen van de binnendokken in 1910 - ook in Molenbeek en Anderlecht. Je moet wel een getraind oog hebben om in de slotengroothandel aan de Hooikaai 59-65 nog het negentiende-eeuwse pakhuis te herkennen.

Door pakhuizen van over heel de wereld te bestuderen wist Wermiel waarnaar ze op zoek moest: "Veel muur in vergelijking met ramen, en een verhoogde vloer tegenover het straatniveau om gemakkelijk te kunnen lossen, bijvoorbeeld van een paardenkar. Soms is er uitzonderlijk nog een hijskraan te zien. Binnen is er veel open ruimte, zonder tussenschotten, kijk maar naar het voormalige magazijn van Val Saint-Lambert uit 1854, waar nu het gemeenschapscentrum De Markten zit. Ook een bescheiden trap is een belangrijke aanwijzing, zodat je weet dat je niet met een gewoon fabrieksgebouw, met veel arbeiders, te maken hebt. In pakhuizen moesten hoogstens een paar pakhuisknechten of havenarbeiders zijn."

Brussel bleek op bouwtechnisch gebied een buitenbeentje. "Eerst zie je houten draagconstructies, vanaf de negentiende eeuw ook gietijzeren en combinaties van beide, en vanaf de twintigste eeuw kwam er gewapend beton bij, zoals in het Koninklijk Stapelhuis van Thurn & Taxis. Opvallend is dat in Brussel vanaf 1840 resoluut voor ijzer werd gekozen, wat nochtans de duurste optie was. Of was het hier juist betaalbaar door de vlotte verbinding met Charleroi? Zelfs in Engeland vind je niet zoveel van die zogenaamde 'fireproof' constructies."

Hijsdeuren
Een zeventiende-eeuws pakhuis met nog veel typische kenmerken, zoals de hijsbalk en ruim bemeten laaddeuren, met luiken, waarlangs de goederen naar binnen werden getrokken, vind je aan de Arduinkaai 20. Het is, samen met onder meer de opslagplaats Stiel en Rothschild, Halles America en Société des Entrepôts de Bruxelles, een van de amper elf beschermde pakhuizen van Brussel die zullen worden besproken in Erfgoed in Brussel. Vorige maand organiseerden de auteurs ervan, Sara Wermiel, Ine Wouters en Inge Bertels van Architectural Engineering (ARCH), al een studiedag over 'Brussels warehouses'. Om architecten, erfgoed- en beleidsmensen ideeën over hergebruik aan te reiken. In Brussel bestaat nu eenmaal de tendens om de stad terug naar het kanaal te brengen, zoals Jens Aerts van het stadsplanningsbureau Buur kwam toelichten, en dan komen oude pakhuizen ook in het vizier. Hans Bonke, de auteur van het standaardboek Amsterdamse pakhuizen 16de-20ste eeuw (2011), toonde inspirerende voorbeelden van kantoren, studio's en restaurants die ondergebracht zijn in voormalige pakhuizen. En Nele Stragier van L'Escaut Projects, die samen met Atelier Gigogne het pakhuis van de oude Hallemans-brouwerij in Molenbeek omvormde tot atelierwoningen, kwam vertellen hoe ze het probleem van de lichtinval hebben verzoend met behoud van de industriële look. "Langs één zijde hebben we met ramen en balkonnetjes nieuwe connecties met de stad gemaakt, en verder opteerden we voor een aansluitende nieuwbouw om het karakter van het oude gebouw zoveel mogelijk te vrijwaren."

Wermiel vindt dat we de evaluatie van een pakhuis niet alleen van uiterlijke kenmerken mogen laten afhangen. "Ideaal is natuurlijk dat de laaddeuren, uitgelijnd onder de hijsbalk, behouden blijven. Net als de ritmering van zuilen en balken binnenin zijn die beeldbepalend voor een pakhuis. Maar er moet ook gekeken worden in hoeverre het gebouw getuigt van de economische en de bouwkundige geschiedenis."

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over

Nieuws uit Brussel in je mailbox?