Het Pirsoulpark, waar Vanden Borre leerde voetballen

© Marc Gysens

Als alle ogen gericht zijn op Rode Duivel Anthony Vanden Borre en andere topvoetballers, dan mag hun ‘leerterrein’ ook even in beeld: het Pirsoulpark. In de volksmond gekend als het speelveld L’Eléphant - het Olifantenparkje - blijkt het kraaknette achteruitparkje een oase voor tieners die het al ver geschopt hebben, met hun benen althans. Had Georges Pirsoul, wiens naam op oude bankbiljetten prijkt, ooit kunnen dromen dat hier de crème van het topvoetbal leerde sjotten?

‘P utain. Mes couilles. Attention, je vais baiser ta mère!” Het vocabularium van enkele jonge tieners liegt er niet om. Ze zijn net van school en leven zich met een voetbal zwetend uit op een boogscheut van de gemeenteschool. Abdel (11) en Oussama (12) komen op me aandraven: “Die man daar heeft ons gezegd dat jij weet wie van hier ooit in eerste klasse heeft gespeeld.” Daar gaat mijn artikel, dankzij mijn loslippige fotograaf, denk ik. “Dat kun je volgende week in Brussel Deze Week lezen, je leert toch Nederlands?,” zo hou ik de spanning er nog even in. “We leren Nederlands, maar we verstaan er geen bal van,” is de reactie. En ze druipen weer af, al dribbelend richting vijf meter hoge afsluiting rond kunstgrasspeelveld, met echte goals. In die groene kooi stroomt het vol van de jongelui, zelfs twee ‘mondige’ meisjes met een step en een eigen bal wagen zich erbij. De groepjes voetballen ogenschijnlijk chaotisch naast elkaar, maar eigenlijk is het goed doordacht – ieder zijn hoek en de goal om beurten. “Ik kom hier elke dag een uur of twee,” horen we van verschillende tieners. Twee parkwachters houden hen ‘koest’ - “gooi je leeg flesje eens in de vuilbak in plaats van in het gras,” onderwijzen ze kordaat.

Het kleine park met drie speelpleinen voor diverse leeftijden, is in de volksmond bekend alsle parc de l’Eléphant, langs de Bloemkwekersstraat. Ook te vinden langs de binnenweg tegenover het gemeentehuis. De echte naam van het park komt van de gulle schenker van het landgoed: Georges Pirsoul. Zijn handschrift is nog terug te vinden op oude Belgische bankbiljetten van de jaren 1950 van vorige eeuw. Georges Pirsoul was toen schatbewaarder en directielid van de Nationale Bank van België. De riante villa in Anglo-Normandische stijl die nu dienstdoet als te huren feestzaal van de gemeente (en waar zelfs het FDF gretig gebruik van maakt) was ooit zijn woonst. Uit de oude siertuin Pirsoul dateren ook de ‘opmerkelijke bomen’. Met tien reuzen van snel twintig meter hoog staan ze ingeschreven in de Inventaris van het natuurlijk erfgoed van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Brussels Leefmilieu). Van een moerascipres en een eenstijlige meidoorn tot enkele essen, een esdoorn (Acer pseudoplatanus Purpurascens) en een grauwe abeel. De abeel is de achtste grootste in zijn soort in het gewest, de esdoorn zelfs de vijfde grootste in het gewest. Een tamme kastanje – niet zo courant in het gewest – haalt bijna vier meter omtrek. Hoe oud deze erfgoedjongens zijn, is minder bekend.

In mei 1956 liet Pirsoul het tuinperceel van de familie, iets meer dan een halve hectare groot, over aan de gemeente. Sindsdien zijn er generaties kinderen wel bij gevaren, in de villa zat jaar en dag een crèche. De Belgo-Congolezen petit PeléMboyo (KRC Genk) en zijn neef en vice-kampioen van België 2014 Geofrey Mujangi Bia (Standard), Michy Batshuayi (Standard) en Anderlechtspelers Hervé Kage en Anthony Vanden Borre waren hier als kind the stars in wording. Ze speelden er voor de eer, want hun reputatie stond op spel. Enkel de besten waren aan zet, zo getuigen ze alle vijf in Sportmagazine van enkele weken terug. Het voetbalveld van het Pirsoulpark was trouwens voor de beste shottersuit heel wat Noord-West gelegen Brusselse parken de meest begeerde competitiestek. “Ik heb hier mijn zoon zien leren voetballen, en nu zit ik hier nog, met mijn kleinkinderen die hetzelfde doen,” zegt een buurtbewoonster me op een zonnige bank, part of the job.

Touwladders
Het park is dan ook altijd een begeerde en exemplarische speeltuin geweest. Vijf jaar terug zijn de laatste achterliggende volkstuinen die er verlaten bijlagen, omgeploegd tot een nieuwe speelhoek om u tegen te zeggen. De schommelzitjes voor peuters en kleuters, een glijbaan, klimrek, een amusant kunstheuveltje en leuke ‘wipdieren’, zijn mooi omringd door zitbanken voor de toezichthoudende ouders. Alles veilig omheind. Achterin zijn twee hygiënische afgebakende terreinen voor hondlief.

En aan de ingang van het park, ligt de vernieuwde ‘oude’ speeltuin voor grotere kinderen, met klauterpalen, touwladders, brandweerpalen en schommelhaken: speeltorens te over en alles zeer robuust als je ziet hoe alles getrotseerd wordt door het zotte geweld. Hier staat een metalen gele olifant als klimrek, eigenlijk het olifantenjong van de oorspronkelijke groene reus die hier decennia pronkte. Te gevaarlijk, en ontdaan van de plankieren glijbaan die menige broek versleet, rust hij nu verdiend, vijftig meter verder, in de tuin van het OCMW-rusthuis Bloemendal (foto). “Er mag niemand meer op, hij is te oud,” hoor ik daar. Maar dat is zonder de Berchemse jeugd gerekend, zien we snel.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook

Nieuws uit Brussel in je mailbox?