'Iedereen heeft recht op de stad'

© Bart Dewaele

BRUSSEL – Alain Storme heeft meer dan dertig jaar opbouwwerk in Brussel achter de rug, Betty D’Haenens was het gezicht van het Etterbeekse wijkhuis Chambéry. Beiden zetten ze er nu een punt achter. Elk met een boek. Een gesprek over samenleven in een superdiverse stad.

Alain Storme heeft zijn artikels gebundeld in Dwarsliggers voor opbouwwerk. Betty D’Haenens krijgt een boek - Tafel 18 Buurtwerk in de stad – aangeboden waarin tal van bekende Brusselaars hun licht laten schijnen over Chambéry en wijkwerking. Storme gaat binnenkort met pensioen en duikt onder in de archieven, D’Haenens zit in een overgangsperiode en gaat na de zomer op zoek naar een nieuwe baan. Hun mening willen ze wel nog kwijt. Storme: “Van migranten verwachten we dezer dagen dat ze honderd procent Belgen worden met alles erop en eraan. Er wordt niet meer gediscussieerd over welke waarden we moeten delen en wat mensen uit andere culturen aan eigenheid mogen koesteren.” En D’Haenens: “En dan plooien mensen zich op zichzelf terug.”

Onze afspraak was vastgelegd voor de aanslagen van 22 maart. Wat is er fout gelopen? Zowat iedereen vraagt het zich af en doet ook aan zelfreflectie. Hebben jullie zich ook die vraag gesteld?
D’Haenens: “Toen de Brusselse regering halverwege de jaren 1990 investeerde in veiligheids- en preventiecontracten hebben we in het platform sociale cohesie zware discussies gevoerd. We begrepen niet waarom de overheid een nieuw instrument in het leven riep en niet méér investeerde in de bestaande werkingen voor sociale cohesie. Mijn boodschap is: investeer in de wijken, betrek er ook de postbode en de wijkagent bij, trek buurtwinkels aan. Hoe beter je je bewoners kent, hoe dichter je bij hen staat, hoe kleiner de kans dat het uit de hand loopt. Er moet daarom nog veel meer geïnvesteerd worden in de wijken, in het potentieel van de inwoners. De overheid moet hier lessen uit trekken.”
Storme: “We mogen de fout niet maken dat het sociaal werk en het opbouwwerk alle problemen kunnen oplossen. We moeten goed onze macht afbakenen. Eigenlijk luidt de vraag: zijn de problemen te herleiden tot etniciteit, opvoeding en cultuur of moet je ook kijken naar de bredere context? Ik herinner me, en ik werk ondertussen meer dan 30 jaar in het sociaal werk, dat ik decennia geleden al in mijn pen kroop met de boodschap: de tijdbom tikt. De aanleiding waren keer op keer rellen of grotere jongerenopstanden in de banlieues van Parijs. We dachten dat grote jongerenopstanden met het in brand steken van auto’s en hun eigen jeugdvoorzieningen ook bij ons zouden uitbreken. Nu is het abces opengebarsten met terreur. Je ziet heel duidelijk dat wat er hier bij ons gebeurt niet los te zien is van de rest van wereld. Maar ik ga wel akkoord met Betty dat we nog meer moeten inzetten op sociale cohesie.”

Geef eens een goede omschrijving van sociale cohesie? Het woord wordt al te vaak gebruikt.
Storme: “Sociale cohesie heeft te maken met de manier waarop mensen op wijkniveau naast elkaar of net met elkaar leven en de mogelijkheden die mensen krijgen om hun eigen levensproject te realiseren.”
“Op een niveau boven de wijken heeft het met solidariteit en dus met de sociale zekerheid te maken. Een sociale zekerheid waaraan de jongste twintig jaar al flink geknaagd werd.”
“Wij zeggen dat de solidariteit hersteld moet worden. Je moet niet alleen straatfeesten organiseren, of interreligieuze dialogen. Je moet ook investeren in huisvesting en tewerkstelling, je moet ook voor sociale mobiliteit zorgen.”
“Al geef ik toe dat dat gemakkelijker gezegd dan gedaan is: de kloof tussen wat de Brusselse arbeidsmarkt vraagt en de opleiding van de talloze werkzoekenden is enorm. Het punt is dat je keer op keer te horen krijgt: er is geen geld. De methodieken om veel problemen aan te pakken zijn er wel en er is ook geld. Maar de politieke wil ontbreekt.”


Maar wat is de opdracht van de sociaal werker dan? Jullie kunnen toch niet zeggen: we hebben er niets mee te maken.
Storme: “Ik wil eerst een bekentenis doen. We zijn ook wel meegestapt in het verhaal van ‘jullie moeten de sociale cohesie herstellen. Jullie moeten ervoor zorgen dat mensen van verschillende origine elkaar beter leren kennen, jullie moeten meehelpen aan een aantrekkelijkere openbare ruimte.’ Vanaf de jaren 1990 hebben we sociaal-artistieke projecten opgestart. Maar wat gebeurde er? Gentrificatie. We hebben het gezien in de Bijstandswijk, de Leopold-II-laan en de Dansaertstraat. De mensen voor wie wij vochten konden de huur niet meer betalen. Daarom hebben we vanaf 2002 gezegd: we moeten investeren in betaalbare huisvesting. Iedereen heeft recht op de stad.”

Zijn die straatfeesten niet vooral blanke feestjes?
D’Haenens: “We moeten blijven investeren in huisvesting, maar we moeten ook investeren in de competenties van de bewoners uit de wijk. Iedereen kansen geven, dat is onze taak. Je moet mensen, ook mensen die nog nooit gewerkt hebben, hun capaciteiten leren ontdekken en valoriseren. Dan stippel je een tewerkstellingstraject uit. Dat is de weg naar een baan en goede huisvesting. De kracht van opbouwwerk is iedere wijkbewoner zijn plaats geven.”

Hoeveel Chambéry’s zijn er nodig?
D’Haenens: “Dat kan je niet van bovenaf opleggen. Zoeits moet groeien vanuit de wijk. Maar de overheid moet wel met de nodige middelen over de brug komen. Maar bovenal moet de Brusselse overheid de moed hebben om meertalig onderwijs te organiseren. Gelijke kansen beginnen op de schoolbanken. Er gaan ook steeds meer stemmen op om religie een plaats te geven in het onderwijs, in alle openheid, met respect voor ieders overtuiging. Je moet mensen erkennen in hun wat ze zijn. Door religie een plaats te geven aanvaard je de mens in zijn geheel.”

Na de aanslagen klinkt een pleidooi voor meer religie niet evident.
D’Haenens: “Recent onderzoek wijst uit dat religie belangrijk is. Het gaat er ook om gelijkenissen tussen gelovigen en atheïsten te ontdekken. Ik geloof trouwens niet dat de aanslagen met religie te maken hebben. Het gaat om jongeren die in de zware criminaliteit verzeild geraakt zijn en religie misbruiken.”

U zegt, mijnheer Storme, dat de polarisatie die we vandaag meemaken niet het gevolg is van een gebrek aan consensus, maar van te veel consensus. Wat bedoelt u daarmee?
Storme: “De wijkcontracten zijn daar een mooi voorbeeld van. De Brusselaars mochten participeren in het uittekenen ervan, maar het kader stond wel vast. Over het kader kon niet gediscussieerd worden. En dat frustreert mensen. Je moet trouwens eens kijken welke buurten prioritair een wijkcontract gekregen hebben. Stuk voor stuk zones die economisch interessant waren.”
“Of neem het plan voor de internationale ontwikkeling van Brussel. Dat is een plan dat beantwoordt aan de belangen van financiewezen en vastgoed, maar niet aan de belangen van de kansarmen die moeten opgenomen worden in de vaart der volkeren.”
“Ik weet dat sommigen het voorgaande zullen wegwuiven als extreemlinkse praat. Maar dat zijn feiten. Het ultieme argument luidt dan dat Brussel niet ontsnapt aan de globalisering en dat steden concurrenten zijn. Met andere woorden: als Brussel het niet doet, dan doet Amsterdam het wel.”

Is werk niet de echte oplossing voor de samenlevingsproblemen? Zonder werklozen geen getto’s.
Storme: “In de jaren 1960 was de oplossing werk. En had je geen werk, dan was er een opvangnet, de sociale zekerheid. Dat vangnet wordt kleiner en kleiner. En werk is niet meer wat het was. Ondertussen is er de flexibilisering en hebben we mensen die voltijds werken en toch arm zijn. Werk was vroeger een deel van de oplossing, nu is het vaak een deel van het probleem.”
U spreekt over de afbouw van het vangnet. Volgens sommigen moeten we de sociaaldemocratie met de vinger wijzen. Die heeft zich ingeschreven in het neoliberalisme.
Storme: “Dat is het probleem van de Derde Weg. Thatcher heeft met haar neoliberale beleid de overheid afgebouwd en de macht van de vakbonden gebroken. Blair heeft zich daar nadien goed kunnen tegenover profileren met zijn sociale politiek, maar hij heeft de economische premisses van het neoliberalisme intact gelaten.”


“In België zijn we veel beter af geweest, dankzij de vakbonden en het middenveld die nog sterk staan. In tegenstelling tot Groot-Brittannië is er hier nog heel veel overeind gebleven. We hebben een dijkbreuk kunnen vermijden.”
D’Haenens: “Tussen 2000 en 2008 heeft ook de Vlaamse Gemeenschapscommissie het middenveld afgebouwd. Stadskwadraat bijvoorbeeld, een bottom-up-organisatie met een visie op de stad, was een sterk anker en dat heeft de overheid kapotgemaakt.”
Storme: “De Vlaamse Gemeenschapscommissie heeft geen specifieke armoedeprojecten meer. De middelen gaan naar een algemeen stedenbeleid. Armoede is nog een factor, maar staat niet meer centraal zoals in de jaren 1990. Neem nu de lokale dienstencentra van de VGC. Die kregen aanvankelijk meer of minder middelen naargelang ze in een arme of een rijke buurt waren gelegen. Dat is eind de jaren 1990 afgebouwd. Het armoedecriterium is gesneuveld. In mijn boek noem ik het een evolutie van hero naar zero.”

Ziet u de toekomst van het opbouwwerk somber in?
Storme: “Als ik kijk naar de evolutie in Nederland wel. Daar is het opbouwwerk van het centrale niveau naar het plaatselijke verschoven. Nu maakt het deel uit van het gemeentelijk apparaat. Het is er een verlengstuk van. Weg van het middenveld. In Vlaanderen zien we hetzelfde gebeuren. Ja, ik zie het eerder somber in.”
 

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.

 

--- OPROEP. Reageer jij soms op online nieuwsartikels of wil je het wel eens proberen? Doe mee aan het RHETORIC-onderzoek en maak kans op een waardebon. Meer info en inschrijven

 

Lees meer over
Lees ook

Nieuws en cultuur uit Brussel in je mailbox?