Kader Abdolah: 'Ik heb de donkerte van Brussel gezien'

© Nico Te Laak

Salam Europa! moest een roman worden over de geschiedenis van Europa. Een geweldig continent, vond schrijver Kader Abdolah, dat geniale uitvinders, schilders, dichters en denkers voortbracht. Tot in Bodrum een Syrisch jongetje op het strand aanspoelde. “Ik zei tegen mezelf: ‘Kader, waar ben je mee bezig? Europa is aan het veranderen.’”

De scharnieren die de Europese landen bij elkaar houden, zijn roestig. Het spreidingsplan voor de opvang van vluchtelingen zet politici van Hongarije tot Groot-Brittannië onder druk. De Nederlandse schrijver Kader Abdolah kent ook de andere kant van het verhaal. Hij kwam lang geleden als Iraanse vluchteling naar Europa.

Nu, vijfentwintig jaar en twintig boeken later, is er in zijn hoofd geen ruimte meer voor het Perzisch waarmee hij opgroeide. Zijn kennis van het Nederlands is echter parater dan ooit. De nieuwsgierigheid naar de herkomst van de cultuur die hij zich eigen heeft gemaakt, leidde tot een nieuw boek. “Als je in een oud huis komt wonen, vraag je je ook af wie er voor jou heeft gewoond,” zegt Abdolah.

“Die vraag houdt me constant bezig. Ik kwam in Europa wonen, en ik ben altijd heel nieuwsgierig geweest naar de Europese geschiedenis, naar de grondleggers van het continent zoals wij het kennen. Naar kanselier Otto van Bismarck die Duitsland één maakte, naar de Nederlander Antoni van Leeuwenhoek die de bacterie ontdekte, naar de schilders uit Frankrijk. Naar al die intrigerende personages.”

Salam Europa! werd een studie van Europa, in zestig hekajatten, de oudste oosterse vertelvorm. Bronnen over de periode van 1870 tot 1920 zijn er genoeg: verschillende Perzische koningen reisden naar het continent. De reisboeken die ze nalieten, vormden de belangrijkste bron voor het personage van de sjah in deze roman. “Er was één groot probleem,” zegt Abdolah.

“De Perzische koningen hebben naar heel veel dingen gekeken zonder ze te zien. Ze konden niet begrijpen wat ze eigenlijk zagen. De ontmoeting in Berlijn tussen de sjah en Werner von Siemens bijvoorbeeld. In het echt gaf hij hem een hand, en dat was het. In mijn verhaal gaat de sjah mee met Siemens, en toont Siemens hem wat verlichting is, en wat telefonie is. Nu, met honderdvijftig jaar afstand, zie ik hoe cruciaal al die ontmoetingen hadden kunnen zijn.”

Hoe ging u te werk? Hebt u net als de professor in het boek, al die biografieën gelezen, en bent u ook in Brussel geweest?
Kader Abdolah: Het kan niet anders. Ik heb het over Europa, ik heb het over historische personen, mensen die er echt zijn geweest. Ik kan die niet uit mijn duim zuigen. Er zit wel verbeelding in, maar ik ken Europa. Ik ben heel vaak in Brussel geweest voor lezingen. Ik ken er dichters, schrijvers uit literaire kringen, waar ik lezingen geef. Ik heb er vrienden en contacten, ook in Molenbeek. De vrouw Akram Ghanoem in het boek is gebaseerd op een vrouw die ik echt ken. Ik heb bij haar geslapen en gegeten. Het is iemand die niet kon aarden in België, maar wel in Molenbeek.

Het boek is enerzijds een verhaal door de geschiedenis, maar anderzijds is het ook heel actueel geworden, met verwijzingen naar de Brexit, Geert Wilders en Salah Abdeslam. Hoe ontstonden die twee verhaallijnen?
Abdolah: Terwijl ik bezig was met mijn onderzoek, spoelde de zee die jongen op het strand. En toen dacht ik: ‘Kader, waar ben je mee bezig? Europa is aan het veranderen.’ Ik ben teruggegaan naar het Europa van vroeger. Maar het jongetje dwong me om in het heden te blijven. Om hem op te nemen in het boek. Net als Abdeslam, en de agenten in Brussel. Daardoor is het een parallelle vertelling geworden - met het Europa van nu, en het Europa van toen. Dat maakte dat het nog meer mijn reis werd, want ook ik moest de reis maken die elke immigrant maakt. Met dit verhaal hou ik een spiegel voor aan het continent.

“Vanaf hier gaan we Europa binnen en we zullen laten zien dat we uit een oude beschaving komen. Zij hebben veel dingen die wij niet hebben, wij hebben ook veel dingen die zij niet kunnen hebben,” zegt de sjah. Dat laatste is een geluid dat je in het huidige debat niet vaak hoort. Vluchtelingen némen vooral, in plaats van iets mee te brengen.
Abdolah: Toen ze in Egypte bezig waren met de piramiden, bestond er in België nog geen beschaving. In de gebieden waar veel vluchtelingen vandaan komen, zijn er misschien maar heel simpele vormen van democratie en vrijheid. Maar er is één ding enorm aanwezig: de geest van de beschaving. Er zitten stukjes van goud in die mensen.

Met wie identificeert u zich meer: met de sjah of met de professor in het boek die hem onderzoekt?
Abdolah: Ik heb mij sterk achter de sjah verscholen, kan ik zeggen. Ik heb hem overal naartoe laten gaan waar ik zelf heen wilde. Ik heb heel veel van mijn karakter aan de professor gegeven, maar ik ging op reis met de sjah. De professor kon niet met al die keizers en koningen gaan praten in heel Europa. De sjah kon dat wel.

De eerste kennismaking met Europa is voor de sjah, die thuis een harem heeft en veel aanzien geniet, niet altijd gemakkelijk.
Abdolah: Hij staat heel open tegenover Europa, hij wil Europa testen. Hij vraagt zijn bediende om een meisje in de trein. Hij zegt tegen haar: ‘Ik wil je proeven,’ verder wil hij niets met haar doen. We zien dat hij niet met haar slaapt, maar hij raakt haar gezicht en haar borsten en haar billen aan. Hij is nieuwsgierig.

In België lijkt de sjah zich thuis te voelen bij koning Leopold II, die hem de persvrijheid uitlegt. Leopold zegt: “Dat is het goede van onze democratie, iedereen zegt wat hij of zij wil, maar verder bedoelen ze niets.” Is dat uw verkapte kritiek op de journalistiek?
Abdolah: Het is mijn harde kritiek op de journalistiek. Ik heb me verscholen achter de sjah, maar ook ik vind dat journalisten vaak niet vérder gaan in hun uitspraken. De ene dag maken ze koning Willem Alexander met de grond gelijk, en de volgende dag willen ze een feestje met hem bouwen. De sjah begrijpt koning Leopold wel. Hij begrijpt hem beter dan de Belgen. Want Leopold zegt: ‘Ik ben fout, maar we zijn allemaal samen fout.’

Wat vindt u van Brussel?
Abdolah:
Het is de wereld in miniatuurvorm. Alles is aanwezig: literatuur, corruptie, politie, achterstandswijken en terroristen.

Was u, net als de professor in uw boek, in Brussel toen Abdeslam gezocht werd?
Abdolah:
Ik was er voor een lezing op de universiteit. Zulke elementen kan je niet verzinnen, je moet aanwezig zijn. Ik heb de angst meegemaakt, ik heb voor een lang halfuur de donkerte van Brussel gezien.

U vergelijkt in het boek de brute kracht van de politie met het koloniale tijdperk.
Abdolah:
Ja, zo heb ik dat meegemaakt. Ik vreesde voor mijzelf. Niet voor mijn leven, maar voor mijn vrijheid. Ik dacht: dit is Brussel - het was op dat moment een plek waar ik niet hoorde te zijn. Opeens was ik midden in de terreur.

Zat hij in het gebouw waar u ook was toen?
Abdolah:
(Ontwijkend) Ik heb geschreven wat nodig was. Ik ben verhalenverteller, ik wil mijn lezer vooral meenemen op reis. Lezen en genieten. En gaandeweg trek ik hem mee naar binnen, naar het hart van Europa. Met dit boek zeg ik: ‘Vergeet niet wie je was. Herinner je al die grote geesten: denkers, uitvinders, politici, historici. In dit kleine Europa.’ En ik heb het niet over de geschiedenis van duizenden jaren geleden, neen, dit zijn de generatiegenoten van je grootvader en overgrootvader. Ik wil laten zien: kijk wie je was. En kijk wie je nu bent. Maar het is niet mijn taak om te zeggen wie je bent. Dat moet je zelf bedenken.

KADER ABDOLAH
18/10, 20.00, Bozar, www.bozar.be

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees meer over

Nieuws uit Brussel in je mailbox?

Lees ook