Opmerkelijk debuut van Michael Bijnens: Als je moeder écht een hoer is

© Ivan Put

Cinderella was nog maar net uit of de auteur, Michael Bijnens, mocht het al gaan uitleggen in de belangrijkste televisietalkshows van Vlaanderen en Nederland. Na drie weken was de behoorlijk dikke roman al aan een derde druk toe, en op de pas afgelopen Frankfurter Buchmesse werden de Duitse vertaalrechten meteen verkocht voor een vrij groot bedrag.

E en en ander zal wel te maken hebben met het onderwerp: Cinderella gaat over het leven van de prostituee Iris Vandamme en haar zoon Michael Baetens, die haar pooier wordt. Bovendien laat Schaarbekenaar Bijnens geen twijfel bestaan over de autobiografische achtergrond van het verhaal. Desgevraagd getuigen zowel hij als zijn moeder uitvoerig en onverbloemd over hun belevenissen in het prostitutiemilieu. Bijnens, die ook theatermaker is, maakte tijdens zijn studies aan het Rits zelfs een theatervoorstelling over hun gedeeld levensverhaal, waarin zijn moeder zowat zichzelf speelde.

Maar belangrijker dan die mediagenieke verkoopsargumenten is dat Cinderella een verdraaid goed geschreven roman is, waarvan geen enkele bladzijde je onverschillig laat. Het is een ongecensureerd, zelfverzekerd boek met misdaadelementen, zwarte humor en meedogenloze bespiegelingen over geld, geweld, liefde, seks en onze condition humaine.

In het boek laat Michael Baetens regelmatig weten dat hij een boek aan het schrijven is over wat hij allemaal meemaakt. Zat jij ook al lang met dit boek in je hoofd?
Michael Bijnens: “Voor ik op het Rits zat, was het schrijverschap eerder een abstract idee. Terwijl mijn moeder het kot afbrak of geradbraakt op de zetel lag, ging ik naar de bib en barricadeerde ik mijn kamertje in een poging om daar vier boeken per week te lezen. En af en toe schreef ik een flutgedicht zoals zoveel pubers. Toen ik op het Rits merkte dat ik het leuk vond om theaterstukken te schrijven, groeide het idee dat ik over dit onderwerp een boek moest schrijven. Het voelde bijna als een verplichting. Nadat ik afgestudeerd was, ben ik eraan begonnen.”

Zou het schrijven een manier kunnen zijn om je bewogen, niet altijd even vrolijke jeugd alsnog te gelde maken?
Bijnens: “‘Te gelde maken’ en ‘vergelden’ zijn wellicht niet voor niets verwante woorden. Een boek schrijven over dat milieu is ook een wraakname. Het was dikwijls amusant maar het was tegelijk een grote rotzooi. In zekere zin heb ik iedereen teruggepakt. Ook mijn moeder. Het is een afrekening en een liefdesverklaring - maar wel een die zodanig druipt van de walging dat je die er eerst af moet poetsen voor je de liefde voelt.”

Voor Baetens helpt het beschrijven van de waanzin hem ook te begrenzen.
Bijnens: “Voor mij maakte het de onderlinge verbanden tussen de figuren in het leven van mijn moeder alvast behapbaar. Zij heeft zowat elke week een compleet nieuwe achterban die ze telkens weer aan mij voorstelt alsof ik hen al vijftien jaar ken. De ene week zijn dat Hongaren, de andere week Albanezen. Als je met haar praat, word je hoorndol. Ze is niet in staat duurzame banden aan te gaan met mensen. Als schrijver creëert Michael Baetens voor zichzelf de structuur en het overzicht dat alle andere personages in hun leven ontberen. Ikzelf heb door te schrijven ook weer het onderscheid kunnen maken tussen de bodybuilder die de wasmachine door het raam gooide en de garagist die een mazouttank deed ontploffen, want ook in mijn hoofd was alles één grote waas.”

Vind je het soms niet spijtig dat het in de media eerder over je biografie gaat dan over het boek zelf?
Bijnens: “Feit en fictie hebben in het Latijn dezelfde stam. Ik zeg graag dat niets in het boek verzonnen is, maar dat alles druipt van verbeelding. En wat ten behoeve van het verhaal wat is aangepast, is even wezenlijk. Het zou er voor sommigen op kunnen lijken dat een uitgever mij gevraagd heeft omdat ik een hoerenzoon ben die wat kan schrijven, maar zo is het niet gegaan.”

Je moeder is blijkbaar ook heel tevreden met het resultaat.
Bijnens: “Toen ik op het Rits die solo met haar maakte, stond ze twee dagen voor de première enthousiast met twee teelbalklemmen te zwaaien: ‘De mensen gaan dat goed vinden.’ Iedereen was het er ook over eens dat ze dat stuk als een natural heeft gespeeld. Zij is dan ook een natuurlijke actrice. Zet vier, vijf vrouwen samen in een bordeel, drenk ze in drank en drugs en laat ze vechten om hetzelfde stuk vlees en dezelfde portemonnee, dan krijg je goed theater te zien. Ze veranderen hun namen in Rachella en Jennifer, en spelen de hele tijd manipulatieve spelletjes.”
“Er zit natuurlijk ook een amusante pathologie in haar acceptatie en waardering van dit boek. Ze is best wel aandachtsgeil. In het bordeel leest ze hele hoofdstukken van het boek voor waarbij ze zich identificeert met haar fictieve personage. Mensen zeggen dat ik in het boek hard ben voor haar. Maar of ik nu schrijf dat ze in een bad vol modder haar lelijke kut zit kaal te scheren of zingt als een soulzangeres met een gezwel op haar keel: zij vindt dat allemaal geen punt.”

Uit de schaamteloze beschrijvingen van de veelsoortige rotzooi spreekt ook een vreemd soort vrijheidsgevoel.
Bijnens: “Vrijheid komt in het boek zowel op negatieve als op positieve manier aan bod. Als mijn vriendjes door hun ouders van school werden opgehaald in hun suv, terwijl mijn moeder mij tweeënhalf uur liet wachten omdat ze weer bezig was de ene ramp in de andere ramp te laten overgaan, dan stampte ik tegen de schoolpoort. Maar de volgende keer ging ik alleen naar huis en dronk ik koffie in het centrum van Antwerpen waar ik gretig naar de gedesillusioneerde levensverhalen van de cafégangers luisterde. Ik heb zelf genoten van de vrijheid, maar mijn moeder is er wel een beetje aan ten onder gegaan. Ze is haar hele leven op het hysterische af op zoek gegaan naar een vaderfiguur. Naar een religieuze verlosser die haar schuldenlast en haar trauma’s op zijn schouders kon nemen en het fundament zou zijn van het huis dat zij wilde bewonen. Omdat ze die ene man nooit gevonden heeft, nam ze er uiteindelijk vijfduizend.”

De zoon in het boek ontwikkelt ook een nadrukkelijke geldingsdrang. Is het schrijven van dit boek daar misschien nog een ver gevolg van?
Bijnens: “Zou kunnen. Waar mijn moeder houvast ging zoeken bij een ander, ben ik het misschien in mijzelf gaan zoeken door voor mezelf een personage te construeren dat heel erg moest verschillen van het milieu waarin ik opgroeide. ‘Niemand helpt mij!’ zei mijn moeder vaak. Dan antwoordde ik dat zelfs ik haar niet kon helpen. Ik wist hooguit wat ik met mijzelf moest doen. Op een bepaald moment had ik zelfs een lidkaart van de Open VLD, ik was klaar om hardcore liberaal te worden.”

Dat doet denken aan de scène waarin de moeder een burgemeester om hulp gaat vragen, waarop die de zoon treiterig een stuk chocola voorhoudt en zegt dat hij er zelf maar voor moet zorgen dat hij ook zo’n stuk te pakken krijgt.
Bijnens: “Die scène laat in het boek een politieke spanning ontstaan die ik nog altijd honderd procent verpersoonlijk en die onoplosbaar blijft. Je moet het zelf uitzoeken, maar je hebt ook hulp van buitenaf nodig.”

Uiteindelijk blijf je je moeder wel bijstaan. Zit er in sommige pooiers ook iets van een OCMW-medewerker?
Bijnens: “Ze zijn er soms een perversie van. Het is niet zo dat alle hoeren in een arm thuisland van de straat worden geplukt en in kooien naar België worden vervoerd om met het pistool tegen het hoofd gedwongen te worden om te neuken. Dat fenomeen bestaat, maar in het milieu van de meedrinkzaken, dat natuurlijk maar dertien procent van prostitutie vertegenwoordigt, heb ik het nooit gezien. In dat milieu tref je wel eens pooiers aan die klagen over het feit dat ze voortdurend achter hun prostituee moeten aanlopen omdat die haar gsm weer ergens heeft laten liggen of wat weet ik nog allemaal.”
“Maar het is natuurlijk ook verraderlijk als prostituees vergeten dat het wel degelijk zij zijn die worden uitgebuit. In Mexico heb ik het meegemaakt dat een prostituee in een bordeel - dat ik uit antropologische interesse bezocht - niet kon begrijpen waarom ik haar niet aanraakte, en uiteindelijk zei dat ze wel zag dat ik daar was om meisjes te martelen en dat ze dat zelf ook fantastisch vond. Dat is de gruwelijke werking van onderdrukking: mensen vergroeien zodanig met hun rol van onderdrukte dat ze er niet eens meer uit willen bevrijd worden.”

Tussen haakjes: vind jij als ervaringsdeskundige dat onze maatschappij prostitutie mag gedogen?
Bijnens: (ernstig) “Ik weet het nog altijd niet. De ene dag ben ik voor het Zweedse model en dan weer voor het Nederlandse.”

Is het door je bewogen jeugd dat je vandaag voor de research van je theaterprojecten La Linea en Valley of saints onvervaard gevaarlijke oorden als Mexico en Libanon opzoekt?
Bijnens: “Nee. Ik ben dikwijls heel erg bang en zeker niet van plan nu al te sterven.”

Bijnens Cinderella
Waarom blijf je dan niet gewoon lekker thuis?
Bijnens: “Dan heb ik niets te schrijven. Ik loop niet per se graag in de vuurlinie, maar als ik ergens door geraakt wordt en het laat me niet meer los, dan moet ik ernaartoe. Wat ik aan mijn jeugd heb overgehouden, is het besef dat de wereld in de meeste van haar geledingen vaak zo bizar is, dat je een verdomd goeie verteller nodig hebt om haar geloofwaardig weer te geven. Misschien is dat wel wat ik met fictie wil doen.”

Cinderella’, Michaël Bijnens, Atlas Contact, 476 blz., 19,99 euro.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.
Lees ook
BRUZZ Magazine
deze week
deze week
  • Les Nuits: Le Motel tend l'oreille à Veence Hanao 
  • Belgian Rules. De nationale hymne volgens Andrew James Van Ostade
  • Illa J: J Dilla's younger brother finds his own voice
  • Hier vind je BRUZZ in de stad
  • Archief
Neem een abonnement