Poortwachters tegen armoede

© Saskia Vanderstichele

Elke schooldag staan Ann Milis en Marisa Mendoza aan de poorten van de Sint Jorisschool. Ze begroeten alle mama’s hartelijk en geven de kinderen een aai over hun bol. Discreet speuren ze naar signalen van armoede.

D e ene week staan ze aan de kleuterschool in de Cellebroerstraat, de andere week aan de basisschool in de Nieuwlandstraat. “Bonjour”, “Salam Aleikum”. Ann Milis en Marisa Mendoza gebruiken hun uitgebreide talenkennis – van Spaans tot Lingala en Swahili – om de families zoveel mogelijk in hun eigen taal te begroeten. Zodra moeders en vaders hun kroost hebben losgelaten op de speelkoer, is er tijd voor een praatje. Dezer dagen gaan vooral de aanslagen in Parijs en de terreurdreiging in Brussel over de tongen.

In de Sint-Jorisschool heeft 57,51 procent van de scholieren een GOK-statuut (Gelijke Onderwijskansen, red.). “Een jaar geleden klopte de directie van de school bij ons aan,” legt Ann Milis, ervaringsdeskundige van Vrienden van het Huizeke, uit. De school had gemerkt dat wanneer ouders konden praten met een ervaringsdeskundige, dat een positief effect had op de ouderbetrokkenheid, én op de kinderen.

Vrienden van het Huizeke is een van de zeven verenigingen in Brussel waar armen het woord nemen. De werking focust op onderwijs. Het Huizeke organiseert in zijn uitvalsbasis op het Vossenplein al jaren huiswerkklassen, en werkt ook al langer op ouderbetrokkenheid. Zo richten ze sinds een tiental jaar een oudergroep in. “We zijn ermee begonnen op vraag van mama’s die hier over de vloer kwamen. Ze kloegen erover dat ze niet begrepen wat hun kinderen allemaal leerden en aan activiteiten deden op school. Ze begrepen ook niet de verwachtingen.”

“Het ging vaak over facturen. We zijn toen beginnen te bemiddelen met schoolbesturen. We gaven tips, ‘zoals begin met de laatste factuur die nog openstaat, of de kleinste factuur’. Of: ‘Vraag niet bij langere uitstappen dat kinderen vijf paar schoenen bij moeten hebben’.” Het initiatief is gegroeid tot een project waarbij ouders in armoede mee het beleid kunnen adviseren en vormingen rond kansarmoede voor leerkrachten en directies mee vorm kunnen geven.

Nuldelijnszorg
Sinds januari is daar dus het schoolpoortproject bijgekomen. Wat Milis en Mendoza doen, is nuldelijnszorg. Dat is zorg aanbieden zonder dat iemand erom vraagt. “Wij stappen op de mensen af.” De ‘poortwachters’ begeleiden intussen intensief zo’n veertigtal gezinnen, vaak alleenstaande mama’s.

Begeleiding houdt in dat ze regelmatig bij die gezinnen thuis over de vloer komen. Ze leiden hen ook toe naar de juiste sociale of medische begeleiding, of naar betaalbare cursussen voor gezinsleden. Eventueel gaan de dames ook mee op doktersbezoek, maar enkel op vraag van de families zelf. Af en toe regelen ze ook uitstappen. “We doen hen even ontsnappen aan de problemen. Zeker alleenstaande mama’s lopen het risico geïsoleerd te geraken en hebben vaak nood aan een volwassen gesprek. Samen simpelweg een tas koffie drinken, kan wonderen doen.”

De bedoeling is om de gezinnen zoveel mogelijk te empoweren, opdat zij zelf de moed vinden om zelfstandig zaken te regelen. Mendoza en Milis knikken veelzeggend naar elkaar. Beiden moeten ze denken aan Malika* die ze allebei kennen. De vrouw heeft recentelijk, na een lang aanvaardingsproces over het syndroom van Down bij één van haar kinderen, uiteindelijk zelf de stap gezet om aangepast onderwijs voor haar zorgenkind te zoeken. “Cultureel gezien en uiteindelijk ook financieel was dat een harde dobber.”

Ook de kinderen krijgen veel aandacht. Leerlingen in een armoedesituatie kunnen vaker moeilijker abstract denken, hebben meer tijd nodig en moeten veel meer inspanningen leveren voor een zelfde resultaat. “We luisteren naar hun verhalen en frustraties, thuis en in de klas. We doen dat heel spontaan, vaak één op één. Uiteraard zijn we heel discreet naar de ouders toe.”

Tandem
De kracht van het duo ligt in de complementariteit. Marisa Mendoza is maatschappelijk werkster, dus goed in methodieken en in dossiers. Ann Milis is ervaringsdeskundige in de armoede.

Milis: “Ik ben opgegroeid in armoede. Mijn vader kwam uit generatiearmoede. Tijdens mijn prille puberjaren geraakte hij verlamd door een ongeval, waarna ik mijn moeders steun en toeverlaat werd. Hoewel ik antropologie had willen studeren, was het hoogst haalbare een opleiding kinderverzorging. Daarna heb ik me nog bijgeschoold als opvoedster. Maar ik kreeg een zware en problematische echtscheiding te verwerken. Intussen ben ik de enige kostwinner in een nieuw samengesteld gezin van zes. De situatie van armoede duurt dus voort tot op de dag van vandaag, en ik hou mijn hoofd boven water.” Het geeft Ann Milis alleszins de nodige bagage om signalen rond armoede op te vangen bij anderen, en het sterkt haar dat ze haar eigen ervaringen kan inzetten. “Ik werk vanuit mijn buik.” Ze kan naar eigen zeggen vooral de ‘binnenkant’ van armoede goed begrijpen: de sociale uitsluiting, schaamte, enzovoort.

Ann krijgt versterking van Marisa, en ook zij put uit haar eigen leven: “Ja, ik behoor tot de middenklasse. Maar vergis je niet. Daar bestaan ook stereotypen over. Toen ik tijdens mijn tienerjaren in Peru leefde, is mijn moeder gestorven aan kanker. Ineens moest ik beslissingen nemen in het huishouden en een grotere verantwoordelijkheid opnemen voor de zorg van mijn broer, het was alsof ik de plaats van mijn mama moest overnemen. Toen mijn Peruviaanse papa besliste om naar België te komen, is mijn wereld volledig veranderd. Dat is ook een ervaring die helpt om iedereen die hier zijn weg moet zoeken, te helpen en kansen te bieden.”

Hun filosofie is dus dat niet alleen leerkrachten en directies moeten ‘gevormd’ worden, maar ook de ouders in armoede. “Ouders zitten ook met vooroordelen tegenover de school, à la ‘ze snappen het niet’. Je krijgt een botsing. Je moet elkaars leefwereld leren kennen.”

Druk van de ketel
De schoolpoortmedewerkers nemen vaak druk van de ketel. “Ouders in armoede willen ook dat hun kinderen slagen, ze willen niet dat de geschiedenis zich herhaalt, en vaak leggen ze daardoor zelfs de druk heel hoog. Wij moeten vaak de ouders ontstressen, opdat de kinderen ontstresst geraken. Mensen in armoede zijn vaak erg opgejaagd en hun rust kwijt.”

Soms moeten Ann en Marisa pijnlijk eerlijk zijn. Dat lukt, gezien de stevig opgebouwde vertrouwensband. “Als ouders absoluut willen dat hun kind ASO doet in het Nederlandstalig onderwijs, dan moeten ouders ook investeren. Dan moeten ook zij bijvoorbeeld gemotiveerd zijn om Nederlands te leren. Ook in onze huiswerkklassen eisen we vanaf dit jaar dat de ouders aanwezig zijn, omdat we merkten dat ouders ook nood hebben aan ondersteuning bij de opvoedingstaak. Samen naar de huiswerkklassen komen, draait om een band scheppen met het kind, interesse tonen voor de competenties en talenten van het kind,” aldus Marisa.

Model voor middelbaar?
De duobaan staat niet op zichzelf. Er is een intense samenwerking met het Brussels Platform Armoede, de leraren, de zorgcoördinator en de directie van de school, net als met CLB-begeleiders. “Een leerkracht kan zoiets als kansarmoedeproblemen niet alleen aan. Er zijn wel CLB-medewerkers, maar die zijn overbelast en hebben dikwijls acht scholen onder hun hoede. Daardoor hebben ze weinig tijd en worden ze door velen, ouders en leerlingen, gezien als diegene bij wie je terechtkomt als er problemen zijn. Dat zou niet mogen.”

Het schoolpoortproject wordt voorlopig volledig door eigen middelen gefinancierd, maar dat is niet vol te houden. Vzw Vrienden van het Huizeke zoekt naar reddingsboeien. “Er zijn al veel scholen die ook zo’n werking zouden willen. De armoedeproblematiek in Brussel is gigantisch, en daalt niet. Als we mogen dromen, trekken we het project door naar het middelbaar onderwijs, waar ouderbetrokkenheid een nog veel lastiger probleem is. En dan beginnen we bij Anneesens-Funck.

*De naam van de genoemde persoon is veranderd om privacyredenen.

Fijn dat je wil reageren. Wie reageert, gaat akkoord met onze huisregels. Hoe reageren via Disqus? Een woordje uitleg.